Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een heilig volk, een koninklijk priesterdom (i Petr. 2 : 9). Wij mogen dit niet uit het oog verliezen. Wanneer wij toch altijd opnieuw weer belijden dat wij arme, ellendige zondaren zijn, dan kan onwillekeurig de gedachte bij ons post vatten dat het ook altijd zoo wel blijven moet en kan. En dat is zoo niet. In Christus hebben wij onze verlossing, en moeten in Hem en door Hem steeds meer van onze zonden verlost worden.

Toch is het goed ons telkens weder te herinneren en te belijden wat wij zijn zonder Christus, omdat wij anders gevaar loopen Hem uit het oog te verliezen.

Wanneer toch de genade des Heeren niet te vergeefs aan ons is geweest, en wij bekeerd zijn tot een wandel in de waarheid, dan loopen wij 7.00 licht gevaar te vergeten dat wij geen oogenblik buiten Christus en zijne gemeenschap kunnen, en wij gaan leven in eigen kracht. Maar die kracht is spoedig verbruikt, zoodat het einde verslapping en verflauwing, misschien een diepe val wordt. Daarom moeten wij altijd weer ons herinneren dat wij in ons zeiven arme, verloren zondaren zijn, maar tegelijkertijd aan onze heilige roeping denken, en in onafgebroken gemeenschap met Christus de kracht zoeken, waardoor wij de zonde overwinnen.

Trouwens, ook de vroomste weet wel dat hij niet volkomen zondeloos is, en hoe meer hij aan zijnen Heiland te danken heeft, zooveel te dieper voelt hij ook de overblijvende zonde, al schijnt zij voor de menschen slechts klein te zijn. Het diepste schuldbesef komt bij een mensch eerst na zijne bekeering, omdat hij de zonde dan gaat beschouwen in het licht der liefde van Christus, en hij dan eerst gevoelt hoe groot en afschuwelijk zij is. Zoo vindt de Christen in zich zeiven „niets anders dan allerlei zonden, en den eeuwigen dood, dien wij daarmede verdiend hebben", gelijk het Avondmaalsformulier zegt. Zoo belijdt hij dat hij een arm, verloren zondaar is.

Sluiten