Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar voor de menschen, die in zijn huis zijn, is hij, of zij, onverschillig, onaangenaam, ontevreden en veeleischend. Wat zijn wij dan, de ouders voor de kinderen, de kinderen voor de ouders, heeren en vrouwen voor hunne ondergeschikten, de dienstbaren voor hen die zij beloofd hebben te dienen, de leeraars voor de leerlingen, de leerlingen voor degenen die hen onderwijzen? Hoe is de verhouding tusschen broeders en zusters, vrienden en vriendinnen, vijanden en tegenstanders, overheden en onderdanen? Laat ons al de geboden van de Tweede Tafel ons voor den geest stellen, ze opvatten in al hunne diepte, gelijk de Heere Jezus ons geleerd heeft, en ons afvragen voor God hoe het met onze trouw, onze liefde, onze eerlijkheid, onze waarheidsliefde en vriendelijkheid gesteld is. En laat ons dan bedenken dat wie zijn broeder niet liefheeft, dien hij ziet, ook God met kan liefhebben, dien hij niet ziet (i Joh. 4 : 20), en dat ten jongsten dage de Heere Jezus zal zeggen: icat gij gedaan hebt aan één van deze mijne minste broederen, dat hebt gij mij gedaan. (Matth. 25 : 40).

Ach! als wij dit ernstig doen, biddend om licht en waarheid, misschien zal menigeen bij zich zelf denken : Dikwijls heb ik beleden dat ik een arm verloren zondaar ben, en ik meende het ook, maar ik had niet gedacht dat het zoo erg was!

XV. Tydelyke straffen.

Reeds vroeger hebben wij gezien dat wij door onze zonden God zwaar vertoornd hebben, en ook dat die toorn Gods niet in strijd is met zijne liefde, maar integendeel er onafscheidelijk mede verbonden is, er onmiddellijk uit voortvloeit. Het gevolg van dien toorn noemt onze vraag, als zij ons leert belijden dat wij met

Sluiten