Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIV. Oneindige barmhartigheid.

Hoe zalig is het te mogen gelooven! In welk een heerlijk licht staat de Heiland vóór ons, die in het H. Avondmaal ons zijn lichaam en bloed wil geven! Hoe troostelijk straalt in Hem de liefde Gods ons tegen, die ons al onze zonden vergeven wil en kan!

Van die liefde spreekt ons de Voorbereiding, als ons gevraagd wordt of wij ook gelooven aan Gods „oneindige barmhartigheid".

Barmhartigheid. Dat is de liefde Gods voor arme, ellendige menschen. Barmhartig is hij, die een hart heeft bij de armer). Wij hebben reeds vroeger gezien dat wij arme, verloren zondaren zijn. Welnu, het is barmhartigheid, welke God bewogen heeft den mensch te redden.

Barmhartigheid alleen. Er bestond geene enkele andere reden, waarom Hij de menschen zou willen helpen. Zelfs al hadden wij uit ons zelf terug kunnen komen, en door een heilig leven ons Gods liefde waardig maken, dan was voor Hem dat nog geen reden om ons schandelijk misdrijf van vroeger over het hoofd te zien, en ons weder aan te nemen. Hij had ons niet noodig, het behoefde Hem slechts één woord, ééne gedachte te kosten, en Hij kon duizenden schepselen te voorschijn roepen, beter en heerlijker dan wij, om Hem volkomen te dienen en zonder zonde te verheerliiken. Toch heeft Hij ons willen redden, toch gedachten des vredes gehad. Zoo zeer is Hem dit ernst geweest, dat Hij. zijfien Eeniggeboren Zoon niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen heeft overgegeven. En nu in Hem onze verlossing is volbracht, nu wacht Hij niet, tot wij komen om haar aan te nemen, neen, Hij zoekt ons, en Hij houdt niet op ons te zoeken, met oneindige barmhartigheid; en ook als wij honderdmaal weerspannig zijn, dan komt Hij honderdmaal terug, en blijft ons roepen. „Hoe dikwijls , zegt de Ileere Jezus, die het Evenbeeld des Vaders is, „lisb ik uuie kinderen willen vergaderen' (Matth. 23 37)• Zeker, al

Sluiten