Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en te kunnen juichen : Ik weet - de Heer zelf heeft het mij verzegeld - ik weet dat ik een Heiland heb.

Tot een verzegeling. Wij zien dus dat het H. Avondmaal meer is 'dan een gedachtenismaal, meer dan een

zinnebeeld. ... ,

Laat ons dat in het oog houden. Want voor velen

is het H. Avondmaal niet meer dan dat, en voor hen

gaat verloren wat er de heerlijkheid van is.

XXIX. Tot mijne gedachtenis.

De Heer heeft gezegd bij de instelling des H. Avondmaals : Doet dit tot mijne gedachtenis. Velen zien hierin de eenige beteekenis ervan, en dat is toch onjuist Die gedachtenis is zelfs niet de hoofdzaak. Want het is toch opmerkelijk dat Mattheüs en Markus die woorden niet mededeelen. En Mattheüs is bij de instelling tegenwoordig geweest, terwijl Markus, naar de oude overlevering, in zijn Evangelie mededeel.ngen van Petrus heeft bewerkt. Het spreekt vanzelf, wij twijfelen er niet aan of de Heer deze woorden wel gezegd heeft, maar de hoofdzaak waren zij niet, de hoofdzaak was, wat alle berichten hebben : Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed! Daarop komt het aan, en wanneer wij dat gelooven en genieten, en 's Heeren genade daardoor aan ons verzegeld wordt, dan eerst komt ook tot zijn recht het woord des Heeren: Doet dat tot mijne gedachtenis. Want dat woord wijst ons op de vrucht van onze Avondmaalsviering, den zegen, die er op volgen moet. namelijk dat wij daardoor leeren den Heiland trouwer, vromer, ernstiger, gelukkiger in gedachtenis te houden, en daardoor ook in heel ons leven zijn beeld voor oogen te hebben, zijn voorbeeld te volgen, zijne gemeenschap te genieten. Als dat de blijvende zegen van het H. Avondmaal is, dan eerst hebben wij het waarlijk gebruikt tot zijne gedachtenis.

Sluiten