Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beantwoord. Ook hier moeten de leerlingen gewennen aan zelfstudie; zonder hulp van den onderwijzer moeten ze leeren de vragen (met behulp van het leerboekje) te beantwoorden. Wie over den noodigen tijd beschikt en een voorstander is van kaartteekenen, kan, als de geheele bespreking afgeloopen is, een kaart van de besproken provincie laten teekenen. De leergang voor de tweede behandeling van Nederland wordt alzoo:

a. Met behulp van atlas en vragenboekje beantwoordt de leerling zelfstandig de ,,kaartvragen

b. De onderwijzer behandelt de provincie.

e. De les uit het leerboekje wordt gelezen.

d. De leerlingen beantwoorden zelfstandig met behulp van atlas en vragenboekje de „lesvragen".

e. Kaartteekenen (facultatief).

Naast het atlasje moet — laten we dit nog even herhalen — steeds gebruik gemaakt worden van een goede wandkaart van Nederland; de leerlingen moeten telkens in de provincie een deel van het geheele land zien.

Zoodra eenige provinciën besproken zijn, worden per kaart uitstapjes door die provinciën gemaakt.

De behandeling van de landen van Europa en de vreemde werelddeelen komt overeen met die van de Nederlandsche provinciën: eerst wordt nauwkeurig nagegaan, waar het land ligt; daarna geve men de leerlingen eenig denkbeeld van de grootte, door het land te vergelijken met ons eigen land, door hen met behulp van den „maatstaf" te laten uitrekenen, hoeveel uren gaans de afstand van twee plaatsen bedraagt, hoe lang de kustlijn is enz., of hun eens te vertellen, hoe lang de reis dwars door het land duurt. Vervolgens late men de kinderen zoeken, uit welke deelen het bestaat

Sluiten