Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wier beoefening niet van een kind mag geëischt worden, minder op haar plaats is in de lesjes voor het aanvankelijk leesonderwijs.

Heeft men indertijd het „gepreek*4 terecht veroordeeld en „la morale en action" aangeprezen, hieruit is, evenals zoo vaak bij de ontdekking van iets verkeerds in het bestaande, een reactie gevolgd, die evenzeer haar verkeerde zijde had.

Bij ons heeft de „actie" ten gevolge, dat de „moraal" zich des te krachtiger aan ons opdringt. Niet alzoo bij het kind: dat heeft aan de „actie" genoeg en denkt uit zich zelf niet over de moraal na.

Zal het verhaal op de zedelijke ontwikkeling den invloed hebben, dien we er van verwachten, dan moeten we... moraliseeren. Nu wil dat niet zeggen, dat het dus goed is, als er op het eind van ieder lesje een rijmpje staat met „de moraal";

neen, we zullen het kind door een vraag, door een opmerking er toe brengen zich een of andere zedelijke waarheid bewust te maken, zich voor te nemen een of ander goed na te volgen,

een of ander kwaad te laten; maar indien we zulk „moraliseeren" verzuimden, dan zou onze reactie erger worden dan wat bestond.

§ 1». Ten slotte dienen we nog na te gaan. wat ovelden vorm der leeslesjes te zeggen valt, dat niet reeds met den inhoud tegelijk besproken is.

Moet bij het aanvankelijk leesonderwijs de zinsbouw altijd eenvoudig zijn. in het begin dienen de zinnen zelfs kort te wezen, omdat het lezen zelf nog zooveel moeite geeft, dat slechts enkele woorden met elkaar in zoo nauw verband kunnen gedacht worden als noodig is om den zin als geheel op te vatten.

Bij den geringen woordenvoorraad, waarover we in het begin beschikken, komt men bij de samenstelling van lesjes bij'na altijd tot enkele gebrekkige zinnen. V'ooral mist men vaak de *

beschikking over een werkwoord. Zooveel mogelijk moeten die zinnen vermeden worden, want de opmerking is niet zonder

Sluiten