Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijkt dan soms ook uit een poot van een m te weinig, uit een verkeerden omhaal e. d. Maar al zulke moeilijkheden zijn gemakkelijk te overkomen.

Bij het lezen hebben we echter niet veel aan zulk herkennen van letters. Daar is het noodig, dat. innig verbonden met het teeken, de klank in het geheugen terugkomt.

Letterklanken zijn den leerlingen echter onbekend. Zij kennen een woord nog niet anders dan als één geluid en moeten dus beginnen met op te merken, dat het uit verschillende klanken is samengesteld.

We zien dus, dat om 2, 3 en 4 mogelijk te maken, noodzakelijk een oefening moet voorafgaan: het leeren opmerken van letterklanken als bestanddeelen van den woordklank.

Het uitspreken der letterklanken is in het algemeen zeer goed uitvoerbaar door zesjarige kinderen. Soms krijgen we leerlingen, wier tongen nog wat losgemaakt moeten worden. Is hun aantal groot, dan moet dit door veel en correct laten spreken verdwijnen, voordat we met de leesoefeningen beginnen. Gewoonlijk is daarvoor niet zoo heel veel tijd noodig; na een paar weken zijn de schuchtere leden van het nieuwe gezelschap — want bij deze komt die kwaal het meest voor — genoeg op hun gemak geraakt om niet meer door zenuwachtigheid slecht te praten. Van ernstiger bet eekenis is het te achten, dat spraakgebreken in de aanvangsklasse voorkomen, en dat leerlingen, die daarmede school komen, niet of slechts voor een deel het eerste leesonderwijs kunnen volgen.

Eigenlijk moesten kinderen, die niet spreken kunnen, niet tot de lagere school worden toegelaten. Zoolang echter niet overal goed ingericht voorbereidend onderwijs op bewaarscholen gegeven wordt, moeten we zulke leerlingen wel aannemen en doen wat in ons vermogen is om hen geschikt te maken tot het volgen van ons onderwijs.

Daar hetgeen met zulke leerlingen kan gedaan worden, niet behoort tot het eigenlijke leesonderwijs, is het als aanhangsel opgenomen.

Sluiten