Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt, zal men. tenminste in den eersten tijd, nog wel doen, wat oefeningen in het samenstellen te houden, in het bijzonder van die woordjes, welke in de leesles zullen voorkomen.

Bij de eerste leesoefeningen, waaronder we die verstaan, welke we houden vóór we met het lezen uit de boekjes een aanvang maken, worden de volgende letters geleerd: ee. f, n, l, oo, i, m, au. ie, r. s, e, ui, ei.

Deze letters zijn op de laatste drie na bij de vooroefeningen behandeld, zoodat het ontbinden van woorden, die uit deze klanken bestaan, noch het verbinden tot woorden moeite oplevert. Er blijft dus alleen over het leeren der letterteekens en het opvatten van de beteekenis van woorden en zinnen.

Er is reeds in het begin van hoofdstuk IV gezegd, dat letterteekens niet met bijzondere hulpmiddelen behoeven geleerd te worden. Het maken van woordjes met behulp van letterkuben of het schrijven van woordjes geeft zooveel gelegenheid om het letterbeeld vast in het geheugen te prenten, dat we geen andere hulpmiddelen noodig hebben, wanneer bovendien de vorm goed is waargenomen en door enkelen op het bord is nagemaakt.

De eerste letters, waarmede de leerlingen kennis maken, zijn ee, t, n. voorkomende in de woorden ee, eet, een, die bestanddeelen zijn van den zin:

ee eet een boterham.

\ an dezen zin wordt het woord boterham door een figuurtje voorgesteld (zie de teekeningen achterin). l)

Als begin houdt de onderwijzer even een korte herhaling van woorden met ee, t. n.

En dan zegt hij: „nu zullen we eens wat gaan lezen, zooals de kinderen uit de 2e klasse al doen."

„We zullen wat gaan lezen van dien kleinen jongen op

') Voor „boterham" is daar een dubbele geteekend met een snee roggebrood er tusschen. Wie voor zijn leerlingen liever een enkele gebruikt, kan dit gemakkelijk wijzigen.

Sluiten