Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

An-ton zei: het is mooi weer.

Als het dooit, moet ge nooit op het ijs gaan.

Maak de kooi van het sij.i-ie maar eens mooi schoon.

Bladz. 16 en 17:

Er ston-den hoo-pen hooi in de wei.

De jon-gens zoti-den hei-pen hooi-en.

De jon-gens gooi-den el-kaar vol hooi.

De boer zei: dat is ook wat moois!

Opmerking: daar het woord hooi-en uitgesproken wordt als: hoo-jen, is het beter dit woord eerst op te schrijven en dan te laten maken.

Voor het leeren der oei schrijft de onderwijzer het woord roei-boot op, laat dit namaken en kan dan overgaan tot het behandelen van het lesje op bladz. 18.

Her-man zon gaan roei-en.

Zij roei-den in een bree-de sloot.

In de wei lie-pen koei-en.

De jon-gens gin-gen met el-kaar stoei-en.

Opmerking: roei-en, koei-en, stoei-en worden weer eerst gelezen en dan nagemaakt om dezelfde reden als bij hooi-en is opgegeven.

Bladz 19:

Flip mank-te een praat-je met den tuin-man.

De boo-men ston-den in bloei.

Daar-om snoei-de de tuin-man ze niet.

In de hroei-kast staan plan-ten.

Die knn-nen bni-ten niet groei-en.

Opmerking als boven ten opzichte van </roei-en.

De aai wordt geleerd uit:

een rok van baai.

Bladz. 20:

De boer zaait het graan. Hij gooit het op den ak-ker.

Sluiten