Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ko-bus en Jo-han gin-gen naar de dui-nen.

Jo-han had zijn neef-je Ot-to mee ge-no-men.

El-ke jon-gen had een dik-ke bo-ter-ham bij zich.

Jo-han had een zak met ro-zij-nen.

Ko-bus had twaalf no-ten.

De jon-gens klom-men bo-ven op een duin.

Twee jon-gens scho-len weg.

Op het duin wa-ren ho-len van ko-nij-nen.

Bladz. 42:

Pe-ter was haast ze-ven jaar.

Maar hij ïlioest nog een paar we-ken wach-ten.

Va en moe moes-ten hem een e-zel ge-ven.

Het moest er een we-zen, die le-vend was. Oom Ste-ven moest een wa-gen ge-ven.

En van tan-te Le-na had hij graag een stal.

Dat al-les zou hij ze-ker wel niet krij-gen.

Oom gaf hem een doos met ne-gen ke-gels.

Va en moe ga-ven hem een krui-wa-gen.

Tan-te Le-na bracht een boek met pla-ten me-de. Dat viel Pe-ter een beet-je te-gen.

Na het e-ten zou-den zijn neef-jes ko-men. Dan zou-den zij met al-les gaan spe-len.

Bladz. 44:

E-va zit met E-vert te spe-len.

In den wa-gen van de pop ligt een ke-tel-tje.

Ook ligt er een be-zem in.

O-ver de pop-pen heeft zij een de-ken ge-legd.

E-va zal kren-ten we-gen.

Het re-gent een beet-je.

E-va moest haar speel-goed mee-ne-men.

Zij moest niets ver-ge-ten.

Bladz. 4tf:

tëi-mon, Di-na en Ki-nus speel-den in den tuin.

Ti-ras was bij hen.

Zij gin-gen naar liet pri-eel.

öi-mon zou pi-a-no spe-len.

Een schop moest voor vi-ool die-nen.

Di-na moest met een li-ni-aal de maat slaan.

Bladz. 48:

Ja-kol) mocht niet in den tuin spe-len.

Zijn inoe had ge-zegd: met dit gu-re weer

11

Sluiten