Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van genoemden oom (hun oudoom), inet name Bertrand III afstonden, waarna deze wederom het geheele prinsdom onverdeeld bezat.

Zie ik wel, dan zijn we met dit huis van Baux inmiddels op vaster historischen bodem getreden. Bertrand III werd opgevolgd door zijn zoon Raymond IV, die in het huwelijk trad met Anna de Vienne, dochter van Guido vorst van Dauphiné. Hun zoon Raymond V (1340—1393) sloot in 1359 een tweede huwelijk met Jeanne (le Genève, erfdochter van den graaf van Genévois, welk graafschap daardoor in naam aan de prinsen van Oranje kwam (zie Aanteekening 7 bij Hoofdstuk I, terwijl het gebied zelf, besloten als het lag tusschen het gebied der hertogen van Savoye, door deze werd geannexeerd. Jeanne de Genève was zuster van Robert de Genève. in 1373 door een deel der kardinalen tot tegen-Paus gekozen onder den naam Clemens, tegenover Urbanus VI.

Te Avignon waar Paus Clemens zijn zetel had gevestigd, vond in 1.Ï82 de \ erloving plaats van Marie, erfdochter van zijn zwager Raymond V van Oranje, met .lan van Chalon, zoon van Louis heer van Harlay en van Marguénte de Vienne (dochter van Philippe heer van Pimont), gesproten uit een geslacht dat gehouden wordt voor een jongeren tak van de oude hertogen van Bourgondie, waaruit de latere hertogen in de vrouwelijke lijn gesproten zijn. Tijdens de verloving was de bruid nog een kind, de prins van Oranje nam zijn schoonzoon bij zich en maakte hem tot zijn stedehouder, terwijl eerst in 1381) de voltrekking van het huwelijk tot stand kwam. Bij den dood van zijn schoonvader is Jan van Chalon in het bezit van het prinsdom getreden en ging dat dus over in het

huis van Chftlon (1393).

Tot op dien tijd valt er dus van een eigenlijk stelsel van erfopvolging niet te spreken ; de primogenituur schijnt nog niet te zijn gehuldigd, zelfs schijnen de vrouwen bij gelijkheid in graad niet altijd door den mansstam te zijn uitgesloten, veel minder door agnaten uit een meer verwijderden ervenkring Aan rechten van een bepaald stamhuis als eenheid, gelijk wij dat bij Nassau reeds vroegtijdig aantroffen, werd natuurlijk in het geheel nog niet gedacht. Eerst met het huis van CluUon begint het streven te ontwaken om de beide liniên, waarin dit huis zich weldra splitste, een soort van gezamelijk recht op het prinsdom toe te kennen, zoodat de jongere tak moest opvolgen, althans indien de oudere m mannelijke en vrouwelijke linie uitstierf. Het waren de testamenten van Jan van Cüèlon en Maria van Oranje, op welke de Sainte Maure's met hun rechtverkrijgenden, zich sedert de 16" eeuw plachten te beroepen, (zie boven Aanteekening 9 bij Hoofdstuk I). Doch zooals wij zagen bracht de testamentaire beschikking van Rèné van Nassau-Chalon het prinsdom in het bezit van een anderen tak van het geslacht Nassau, die met Chalon niets te maken had. Aldus vormde zich het beginsel van de vrije testamentaire dispositie.

Niettemin ontstond er weldra een tegenstrooming. Philips Willem en Maurits, beide gelijkelijk doordrongen van den wensch het aanzien van hel Nassausche stamhuis in de Nederlanden te verhoogen (wat met betrekking tot den eerstgenoemde nogal opmerkelijk it\ zochten het prinsdom Oranje tesamen met de Nederlandsche bezittingen te inaken tot stamgoed van hun geslacht, althans van de gezamelijke linièn van den Ottonischen hoofdtak bepalende dat bij het uitsterven van den tak uit hun vader Prins Willem ontsproten, de verschillende linién uit diens broeder. Jan den Oude, naar rangorde van ouderdom, aan de beurt zouden komen.

Hoe goed ook bedoeld, maakten toch deze beschikkingen een wel wat krasse

Sluiten