Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inbreuk, op bestaande rechten. Immers de bedoelde bezittingen waren nu eenmaal geen stamgoederen van het huis Nassau en de tak van Jan den Oude kon, met name op Oranje, in geen enkel opzicht eenig recht doen gelden, terwijl de vrouwelijke liniën uit den tak van den Zwijger voortgekomen, dat wèl konden. Vandaar dat Frederik Hendrik, zich voor de toekomst geenszins gebonden achtend door de testamenten zijner broeders, die van het recht van vrije beschikking een zóó overmatig gebruik hadden gemaakt dat het zijne er bij dreigde in te schieten (*)» bepaalde dat wanneer de tak van zijn zoon kwam uit te sterven, de liniën van zijne dochters naar rangorde aan de beurt zouden komen.

De Koning-stadhouder Willem III eindelijk, gebruik makend van zijn recht van vrije beschikking ten einde met de omstandigheden rekening te houden, koos een middenweg tusschen het stelsel, door zijn grootvader gehuldigd, en dat van zijn beide oud-ooms. In hoofdzaak sloot zijn beschikking zich aan bij die van Frederik Hendrik, doch hij koos uit de rechthebbende vrouwelijke liniën die. welke toevallig ook tot den Nassauschen stam behoorde.

Indien men dus genoodzaakt was uit dit alles een beginsel af te leiden, dan zou het misschien dit zijn, dat, behoudens het recht van eiken erflater om bij testament iets anders te bepalen, bij de erfopvolging in het prinsdom Oranje nadere vrouwelijke liniën niet door meer verwijderde takken van den mansstam worden uitgesloten. Het agnatisch beginsel is met betrekking tot Oranje nimmer toegepast, vrouwen hebben feitelijk nooit voor verdere verwanten dan broeders behoeven te wijken. De kwestie heeft echter haar beteekenis verloren nu de vererving van den titel van Oranje is vastgelegd aan regelen der Nederlandschc troonopvolging.

(6) Sagen en sprookjes verhalen ons van Koningen, die de hand hunner dochter en daarmee de opvolging in het koninkrijk beloofden aan den dappersten ridder, wanneer die er in slaagde het een of ander monstrt* te dooden. In die fabelen ligt een grond van waarheid. Lezen wij niet in de geschiedenis van Mecklenburg (de zaak droeg zich hier eenigszins anders toe! hoe nog in de 14e eeuw bij een strijd over de rechten, die een tak van de graven van Schwerin op hunne nalatenschap aan de hertogen van Mecklenburg toegekend hadden, maar die een andere tak van genoemd gravengeslacht niet wilde erkennen, hoe toen Otto van Schwerin in 1351 door zijn vijand den hertog van Mecklenburg gevangen genomen, moest beloven, dat hij dezen zijn eenige erfgename, zijn dochter Richarde tot vrouw zou geven en daarmee het recht van opvolging in zijn bezittingen Niet de dochter, maar de schoonzoon was in zulke gevallen de feitelijke opvolger.

Naarmate echter het zwaard minder onmisbaar werd tot handhaving van gezag, begon het beginsel veld te winnen, dat niet de schoonzoon, maar de erfdochter zelve de eigenlijke rechthebbende was. terwijl de man door het huwelijk deelgenoot werd van haar rechten ; m. a. w. man en vrouw oefenden, krachtens het beginsel der echtelijke eenheid, tesamen hunne rechten uit. wat niet wegnam dat meri, bij optreden naar buiten, den man als den drager en handhaver der gezamenlijke rechten bleef beschouwen. Vandaar nog tot op onzen tijd de regel dat,

(') Indien tenminste werkelijk de beide genoemde testamenten de strekking gehad hebben om ook voor latere successiën regels te stellen, wat in 1702 juist een punt in kwestie was.

Sluiten