Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

edict van 1754 voor de vererving in de vrouwelijke lijn van titels, aan adellijke bezittingen verbonden, nevens de uitdrukkelijke wilsverklaring van de betrokken familie, ook nog een diploma van den souverein. Reeds vroeger was het een enkele maal voorgekomen, dit in zoo'n geval de koninklijke bewilliging werd gevraagd, bijv. door den graaf Königsegg-Rottenfels, op wien de bezittingen van het geslacht Van Boisschot, onder verplichting van naam en titel van dat geslacht aan te nemen, door erfenis overgegaan waren. Men zie over dit onderwerp Arendt en de Ridder, blz. 50—52, alsmede den tekst van de edicten aldaar op blz. 147 en 207.

Bij ons te lande wordt thans het beginsel gehuldigd dat adellijke titels uitsluitend verbonden zijn aan den geslachtsnaam en niet aan eenig goed. Hij, die krachtens erfrecht in. het bezit is gekomen van een vroegere baronie, kan zich dus wèl »heer" noemen van die plaats, desnoods * vrij heer" (als zijnde dit geen Nederlandsche adellijke titel) maar niet «baron" van die plaats. Voorheen kwam het wel voor, dat geslachten, die door erfenis of zelfs door koop in het bezit van baroniën waren gekomen, zich «baron" noemden. Ja zelfs vindt men op die wijze den titel van «baron" achter de namen van niet adellijke geslachten, bijv. Scholten baron van Oud-Haerlem. Sinds Koning Willem I het stelsel invoerde, dat de titel uitsluitend aan een geslachtsnaam verbonden kan zijn, is zoo iets onmogelijk geworden. Wij komen op de tegenstelling tusschen die beide systemen in Aanteekening 4 terug.

(3) Wèl te verstaan : de gehuwde vrouw kan den adellijken titel bezigen, doch uitsluitend in verband met haar eigen naam. Zij kan zich noemen Mevrouw A. geb. baronnesse B. (minder fraai is het tegenwoordig insluipende Mevr. A. geb. jonkvrouw B.) of wel in den stijl onzer authentieke akten : baronnesse B. echtgenoote van den heer A. In de hoedanigheid van gehuwde vrouw mist zij echter het genot van haar eigen adellijken titel. Het gebruik van door geboorte adellijke vrouwen om zich douairière te noemen (dan nog wel dit woord plaatsend voor den niet-adellijken geslachtsnaam van den man) is te beschouwen als een bedenkelijk insluipsel. Alleen bij echtscheiding treedt de vrouw weer in het onbeperkt genot van haar titel, daar de gescheiden vrouw uitsluitend bij haar eigen familienaam wordt aangeduid.

(4) Wij moeten hier nog eens meer uitvoerig de aandacht vestigen op de zooeven in Aant. 2 reeds met een enkel woord besproken tegenstelling tusschen twee soorten van adellijke titels, die welke verbonden zijn aan den geslachtsnaam en dus streng tot de nakomelingen in de mannelijke lijn van hem, die den titel verwierf, moeten beperkt blijven, en die welke aan adellijke bezittingen verbonden zijnde, vererven naar de regelen, welke den overgang van die goederen beheerschen (leenrecht, bepalingen omtrent dynastieke erfopvolging, familieverdragen'. Gelijk wij in Aant. 2 gezien hebben, bestaan er te onzent geen bezittingen meer, waaraan hun bezitters het recht op een adellijken titel kunnen ontleenen; dit volgt reeds dadelijk uit art. 65 van de Grondwet. Alleen de bezittingen van het Koninklijk Huis (Veere, Buren, Breda, enz.) kan men nog als markiezaat, graafschap, baronie blijven aanduiden. Heeft dus de onderscheiding tusschen de twee bedoelde soorten van titels geen actueele beteekenis meer, zij is niettemin van groote historische beteekenis en onmisbaar tot recht verstand van zaken. De geschiedenis der zaak moet daarom hier thans worden nagegaan;

Sluiten