Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Nederlandsch adelsrecht, de titel van Prins liem te worden verleend. Aan dezen titel behoort dan tevens te worden verbonden het hoogste praedicaat dat in een Koninkrijk bestaanbaar is, namelijk dat van Koninklijke Hoogheid.

"Wij komen hiermede tot de tweede kwestie of namelijk uit art. <5 van de Grondwet ook voortvloeit de bevoegdheid tot het toekennen van de qualiticaties van Doorluchtgheid, Hoogheid en Koninklijke Hoogheid. In 1815 wilde de minister van Justitie aan de Hertogen en Prinsen, die in lielgië vrij talrijk waren, den titel van «Altesse" toekennen, doch de Hooge Raad van Adel had hiertegen bedenking, omdat die titel naar zijne meening alleen toekwam aan regeerende huizen en dit bezwaar kreeg te meer beteekenis toen Koning Willem I. die als Groothertog van Luxemburg op den Duitschen Hondsdag van dat jaar vertegenwoordigd was, deel nam aan een overeenkomst, waarbij bepaald werd den titel van Doorluchtigheid (Altesse Sérénissime toe te kennen aan de gemediatiseerde Duitsche vorsten.

Niettemin heeft de Koning, bij Kon. Besluit van 18 Juli van datzelfde jaar, aan den Engelsehen Hertog van Wellington den titel van Prins van Waterloo, met het praedicaat van Doorluchtigheid geschonken. Hoewel dit plaats had vóór de afkondiging .'er Grondwet van 1815. blijkt toch dat, naar de opvatting, die bij de ontwerpers voorzat, het recht om adeldom te verleenen geacht moet worden niet enkel de bevoegdheid tot het toekennen van de hoogste titels te omvatten, maar ook de bevoegdheid tot het verlee ,en van een vorstelijken rang.

Het eenige punt, waaromtrent twijfel zou kunnen rijzen, is dit, of aldus toegegekende rang kans heeft in het buitenland door andere Hoven te worden gerespecteerd, want daarom is het hier iwaar binnenlands geen personen van hoogeren of gelijken rang aanwezig zijn) toch voornamelijk te doen.

Men moet geenszins meenen, dat in het verleenen van den rang van Koninklijke Hoogheid aan iemand, die door geboorte niet tot een koningsgeslacht behoort, in zich zelf iets onbestaanbaars wezen zou, gelijk Philonomos, de bovenbedoelde inzender in «De Telegraaf," aannam Ware dit het geval, dan zou er zeker weinig kans bestaan, dat de toekenning van dien rang aan den Gemaal der Koningin door andere regeerende vorsten van waarde zou verklaard worden. Er bestaat echter n-eds een geheel kathegorie van vorstelijke personen, die den titel Koninklijke Hoogheid voeren, hoewel zij niet behooren tot eenig Koningshuis, t. w. alle regeerende Groothertogen, benevens hun vermoedelijke opvolgers. De moeilijkheid zit dan ook in iets anders ; daarover in de volgende Aanteekening.

(8; Kort na het Weener Congres, had er te Aken een samenkomst plaats van gezanten der vijf groote Mogendheden, ten einde nog enkele punten te regelen. Aldaar werd afwijzend beschikt op een verzoek van den keurvorst van Hessen o:n den titel van koning te mogen aannemen; men overwoog daarbij, dat de titel . m souverein niet een zaak bloot van etiquette is, maar een feit van werkelijke beteekenis en dat men niet was samengekomen om verandering te brengen in de toestanden, doch alleen om de bestaande toestanden te bevestigen. Uit dienzelfden hoofde, verbonden de aanwezige Mogendheden zich uitdrukkelijk geen titels te erkennen, dan die door verdragen bevestigd zijn en dan volgt: «Les cinq Cabinets appliquent explicitement cette dernière réserve au titre d'Altesse royale qu'ils n'admettront désormais que pour les chefs des maisons Grand-Ducales. Klecteurs de Hesse y compris, et leurs Héréditiers présomptifs." (Zie Aachener

Sluiten