Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter zijde wijken baatten toch niet, als de vijand besloten was.

Zij vatte dus moed, en het ontbrak haar niet aan aplomb, dat was duidelijk uit de wijze waarop zij met een fleren, vluchtigen groet Eckbert Witgensteyn voorbijging, zonder hem aan te zien, om zich naast haar nicht Lize neer te zetten, met welke zij terstond zoo druk zat te praten, dat zij Jakobs vraag, wat de dames zouden gebruiken, niet eens had gehoord.

„Komaan, Lize, wat wil je hebben?" herhaalde de echtgenoot wat ongeduldig.

„Mij dunkt een glas limonade, vind je niet, Regina?"

„Heel goed," antwoordde deze, en Jacob, verlangend naar zijne vrijheid, liet het zich geen tweemaal zeggen.

Dit was le moment fat al, dacht Regina.

„lïu of nooit," sprak Witgensteyn in zichzelf, en, besloten, vroeg hij aan van Berchem om hem aan zijne nicht voor te stellen; met de schoondochter had hij al kennis gemaakt.

De voorstelling geschiedde: Eckbert betuigde zijne blijdschap in de gelegenheid te zijn eene oude bekendschap te hernieuwen.

Zij antwoordde niet voor zij hem van het hoofd tot de voeten met zekere koele bevreemding had aangezien, en toen alleen: „dat zij hem niet herkende."

„Ik had ook geen recht te verwachten dat de negenjarige Regina, als zij eene dame zou geworden zijn, zich den speelmakker harer kindsheid zou herinneren," hernam hij blijkbaar zeer onaangenaam verrast; „doch ik mag toch de hoop koesteren, dat zij mij zal toestaan die herinnering onzer jeugd nog weer eenigszins op te frisschenen daarop ging hij met eene mengeling van verwijt en gevoel voort: „Kan het waarlijk zijn, dat u niets meer heugt van Eckbert, dien gjj den kleinen Eckbert placht te noemen, en als ge in goede luim waart, uw page."

„Ik herinner mij heel goed den knaap Eckbert, die bij ons aan huis kwam, maar verschoon mjj, tusschen dien en den luitenant Witgensteyn welken ik nii voor mij zie, is een te groot verschil om nog van oude kennis te spreken," hernam zij op zóó koelen, bitsen toon, dat ieder ander voor goed afgeschrikt ware; maar Eckbert had zijne redenen om vol te houden.

„Ik geef toe, juffrouw van Berchem, dat er aan en in ons zoo-

Sluiten