Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen, zooals de dames gewoon zijn als zij zich bij hare vrienden verdienstelijk willen maken. Eckbert vond het, zooals vanzelf spreekt, allerliefst van haar, dat zij zóó voor hem had gezorgd, en hij bedankte zoo hartelijk als haar intentie dat verdiende, maar toch wenschte hij in zijn fort intérieur zijn vriend en diens schoone naar de Mookerhei, of overal elders waar ze op dit oogenblik niet met hem samen konden zijn. Hij had zich zoo vast voorgesteld op den gemaakten vrede met Regina voort te bouwen en er een vast verbond op te grondvesten. Het compromis, op raad van den voogd getrotfen, terwijl de wortel der bitterheid, die hij wist nog altijd niet waarom — in Regina's hart tegen hem was opgeschoten, niet uitgeroeid was, maar alleen bedekt, bevredigde hem niet; hij wilde meer, hij wilde haar vertrouwen winnen, hare openhartigheid uitlokken, en dan eerst achtte hij den vrede, waarnaar hij stond, voor goed verzekerd, want als zij hare grieven tegen hem uitsprak, zou hij ze uit den weg ruimen, daarvan meende hij zeker te zijn, daar hij zich niets kwaads bewust was, niets althans dat hem schuldig maakte tegen haar, Oom Jozua was voor hem geen hinderlijke derde bij zijn tfte-a tite, hij rekende bijkans op diens coropliciteit; en ziet, daar kwamen nu zijn beste vriend en eene dankbare schoone hem dwarsdrijven in dit nobele plan. Maar hij moest bonne mine maken, en hij noodigde hen te blijven. Terwijl de vlugge kajuitsjongen zich beijverde aan zijne wenken omtrent de theetafel in alle haast te gehoorzamen, kwam daar waarlijk ook Smilders zich aanmelden, vergezeld van zijn vriend van Yelzen. Eckbert fronsde het voorhoofd van spijt, en zag Regina aan, om haar van zijn verdriet en teleurstelling deelgenoot te maken; dan, hem trof een felle blik van misnoegen, en in do trekken van haar sprekend gelaat las hij zoo duidelijk toorn en wantrouwen tegen hem zelf, terwijl zij zich fier en strak van hem afwendde, zonder een woord te zeggen, dat hij zich op de lippen beet van ergernis en een oogenblik moeite had zich goed te houden.

„Neem mij niet kwalijk, dat wij u overvallen, luitenant,' sprak Smilders, die wel voelde dat zijn bezoek niet precies een aangenamen indruk maakte; „maar, wat zal ik u zeggen, het gerucht van uw heldenfeit heeft, zooals vanzelf spreekt, ook sensatie ge-

Sluiten