Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, op hare waakzaamheid, zich zoo grof had bedrogen in een man als Stanislaus; terwijl zij een Eckbert Witgensteyn zoo hardnekkig geloof had geweigerd, zoo ruw had afgestooten, toen hij haar smeekte hem vertrouwen te schenken? Het was hare ijdelheid geweest, hare eigenliefde, die haar dus hadden verblind. Die had de listige bedrieger terstond doorzien, en daarop had hij zijn spel berekend. Zij was niet schoon, zij was niet beminnenswaardig, en zij wilde toch bemind zijn om zich zelve; zij eischte dat men in haar prees, wat zij niet bezat en wat geen aardsche schatten haar konden bijzetten. De eerlijke Eckbert had haar niet gevleid. Stanislaus had haar zwak geraden, en had er gebruik van gemaakt om haar te misleiden. Zij verdiende die vernedering; zij verdiende haar lot; zij had zich door schitterend vernuft en voorname manieren laten wegsleepen; zij had den hooggeboren fielt geloof gegeven, waar hij hartstocht huichelde, en het had haar gestreeld, zij moest het zich zelve bekennen, door dezen man, juist door dezen, die met zooveel hooghartige minachting op al het omringende neerzag, onderscheiden te worden en zich door hem te laten leiden en bestieren als met zwijgende erkenning zijner meerderheid. En hij had zich in zijne volle onwaardigheid moeten toonen, eer hare oogen over hem waren opengegaan, zij die ieder ander met zoo'n scherpen wantrouwenden blik gadesloeg. Met eene siddering van afgrijzen peilde zij nu de diepte, waartoe die man haar had kunnen neerrukken, zoo niet meer door list dan door geweld, indien reddende vriendenzorg zich daar niet tusschen had gesteld. En, zonderling, onder die wakkere helpers zag zij telkens in verbeelding een ouden bekende, van wien zij minder dan van iemand hulp en bescherming had verdiend. Zoo vaak zij zich het afschuwelijk tooneel met Stanislaus herinnerde, drong de gedachte aan Eckbert Witgensteyn zich bij haar op; en in dien vreeselijken nacht na het bal, had zij in haar wakend droomen steeds twee gedaanten om zich rond zien waren, waarvan de een haar hoonde en bedreigde, terwijl de andere ernstig en waardig haar de reddende hand toestak.

De kamenier, die haars ondanks den ganschen nacht bij haar had gewaakt, getuigde dat zij de koorts had gehad, voortdurend had geijld, en ten laatste door de nachtmerrie moest gekweld

Sluiten