Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het hem naar Londen zijn toegezonden; „maar," voegde de goedhartige, doch ietwat plompe man mij toe, „neem mijn raad aan, lieve juffer „en trek uw hart af van dat ijdel verlangen om met „dien man eene correspondentie aan te knoopen. Hij zal u niet „antwoorden, daar ben ik zeker van. Hij heeft veel te veel aan „zijn hoofd, om zich met iets anders te bemoeien, dan de zaken „die hij drijft, en die hem rusteloos voortjagen van het eene „punt van Europa naar het andere; ja zelfs kon het wel zijn dat „hij naar Amerika overstak, omdat hij daar wis relatiën heeft „aan te knoopen. Hoe wilt gij nu, dat zoo iemand zich met sen„timenteele dankbetuigingen zal ophouden omtrent een voorval dat „hij lang zal vergeten zijn?"

„Maar zoo ik nu geen vreemde voor hem ware, mijnheer?" liet ik mij ontvallen; als ik het was, die hem eenmaal diep gekrenkt had, en nu trachtte hem te bevredigen, hem te herwinnen."

„Dan vrees ik, dat gij u met een ijdele hoop vleit; want dan zijt gij zeker degene, die hem tot een vrouwenhater heeft gemaakt, en dat's een ongeneeslijke kwaal, dat weet ik bij ondervinding."

Ik had er genoeg van, en ik nam het kloeke besluit om zijn raad te volgen en er mijn hart af te trekken; mogelijk kwam die mij reeds toe vanwege Eckbert zelf, als eenig antwoord dat ik te hopen had. De haat weet van geene verschooning, van geene teerheid. En nu ik weet, dat hjj zelfs mijn geslacht haat om mijnentwil, moet ik er mij wel overheen zetten, en wil ik dat, en neem mij dat telkens opnieuw voor; maar toch, helaas! de lichtste aanleiding brengt mij weer alles in herinnering, en dan is het uit met mijne rust. Ik zal u zeggen wat mij opnieuw als tot dat verleden terugbracht, waarvoor ik in verbeelding daartegen reeds een afschutsel had opgetrokken. Terwjjl ik bezig was u te schrijven, kreeg ik een brief van den notaris Welsink, uit Londen teruggekeerd, die mij berichtte, dat de zaak van de diamanten tot genoegen der wederzijdsche partijen was afgedaan. Die brief was verrijkt met een postcriptum, dat, zooals meestal zulke bijvoegsels, mij veel meer interesseerde dan het hoofdartikel. Hij meldde mij daarin, dat hij Eckbert Witgensteyn had ontmoet en wel in gezelschap van Maurits van Berchem, mijn half-broeder, toen deze hem in eene restauratie rendez-vous had

Sluiten