Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan tafel te zitten ; als er vreemdelingen zijn genoodigd en de vrouw des huizes (wat somtijds voorkomt) niet al te vlug met haar Fransch terecht kan; als porte respect, wanneer eene jong getrouwde vrouw zonder haar gemaal naar een concert wil gaan of een uurtje wil doorbrengen in hare loge in de opera. Uit deze bijzonderheden hebt gij reeds begrepen, dat zij een respectabelen leeftijd heeft bereikt, en geen recht meer heeft om aanspraak te maken op jeugd en schoonheid. Dat doet zij ook niet; maar zij laat andere aanspraken gelden, die zij niet behoeft op te geven met de jaren, omdat ze onverliesbaar zijn : hare afkomst uit een oud adellijk geslacht, dat graven en markiezen onder zijne loten telt. Wel is waar was haar vader maar een jongere zoon van een der latere uitspruitsels van dien achtbaren stamboom, die alleen het predicaat van jonkheer voor zijn naam mocht zetten, en was zij de laatste van die branche, die met haar uitsterft, maar toch iets van datzelfde oud-adellijk bloed vloeit in hare aderen, dat aan prinsen en hertogen is verwant, wier faits et gestes door de geschiedenis zijn bewaard, en zij heeft een onwrikbaar geloof, ondanks alle revoluties, alle sociale hervormingen en alle nieuwe begrippen, in het prerogatief van zulk bloed. Dat het rijker is aan staal dan aan goud, zal zij niet ontkennen, en het zou haar ook niet baten, daar de feiten spreken. In mijne schatting is er iets tragisch, iets waardigs tevens in dit fiere zelfgevoel, in dit onuitroeibare bijgeloof, ondanks het sprekende contrast van het lot, een onverdiend hard lot zeker; want kan zij het helpen dat haar vader niet gelukkig was in den dienst en reeds als kapitein werd gepensionneerd, met den rang van majoor? Kan zij het helpen, dat die vader eene jonkvrouw trouwde van hooge geboorte, maar zonder bruidsschat? Zeer zeker, zij zou mijn eerbied wekken, niet minder dan mijne deernis, als zij niet zekere manieën had, die haar belachelijk maken, en die mijn zin om het komische te vatten telkens uittergen. Eens in zijn leven heeft haar vader dienst gedaan als buitengewoon adjudant van Z. M. Willem II, een onvergetelijk tijdstip in de souvenirs van freule Constance; haar grootvader leefde toen reeds niet meer, maar deze had indertijd een hofambt bekleed bij koning Willem I, hetgeen haar nog altijd, zooals zij vast gelooft, „attachés" geeft aan den hofkring. In hare prille jeugd heeft zij werkelijk daarin

Sluiten