Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste jaren geleden onder concurrentie en isolement; verdeeldheid onder de aandeelhouders deed het overige; er was nog een neef, die gelijke rechten had in de firma, en bij het overlijden van den oom, die reeds van hoogen leeftijd was, zou men gewis de firma ontbinden en de fabriek voor af braak verkoopen, omdat zij bijna geene winsten opleverde en niemand de zaak als zoodanig zou willen aanvaarden. Neef Eckbert zou wèl doen te blijven waar hij was, want zelfs de reis naar Z. had groote bezwaren. Er bestond geen rechtstreeksche communicatie met Nederland; men was achterlijk in het stadje sinds het was uitgesloten van het zich telkens meer uitbreidend spoorwegnet. Zelfs een stoombootdienst bestond er niet; men moest over A. of E. in OostFriesland komen, en voorts particuliere gelegenheid zoeken. Dit alles was afschrikkend en ook kenlijk met dat doel geschreven; maar toch, Eckbert Witgensteyn liet zich niet afschrikken, zelfs niet toen zjjn oom de vice-admiraal hem bedreigde met verlies van zijne gunst en hulp, ja hem zelfs als lid der familie zou afsnijden, als hjj de dwaasheid beging zich met dat „werkvolk" af te geven.

Hij antwoordde, dat hij de drukkende protectie van den viceadmiraal sinds lang moede was, en dat hij zich, het kostte wat het wilde, zou emancipeeren, en hij ging zijns weegs met het vaste voornemen niet om te zien, maar vooruit te streven.

Eene reisontmoeting, die menig ander als eene heilzame waarschuwing zou hebben opgevat en tot omkeeren bewogen, versterkte hem zelfs in het besluit om te volharden. De toezegging namelijk van den ouden oom, dat hij te J. een postchais zou vinden om hem af te halen, werd niet bewaarheid en de zwerver, die geen lust had een handvol geld uit te geven om een rijtuig te huren, dat daarenboven niet eens gemakkelijk te verkrijgen was, zag zich genoodzaakt de plaats op eene postkar naast den postillon als eene gunst aan te nemen, toen de reiziger, met wien hij in de ellendige herberg gelijktijdig eenige verversching had gebruikt, hem vroeg waar hij heen moest. Hjj noemde Z., en gaf tegelijk zjjne teleurstelling lucht, dat men hem — een bloedverwant — die uit den vreemde overkwam, zóó in den steek liet.

„Wie 't zijn mochten?" vroeg de reiziger.

Sluiten