is toegevoegd aan je favorieten.

Middeleeuwsche bibliotheken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer en hoelang men zich met het schrijven moest bezighouden. dat waren vraagstukken, waaraan de Benedictijnen gedurende Se eerste eeuwen van het bestaan hunner orde waarschijnlijk nog niet gedacht hebben. Immers de H. Benedictus, die het afschrijven zeker toch wel tot den handenarbeid zal gerekend hebben, heeft van deze bezigheid in zijn orderegel met geen woord gerept: du», stond liet in 't geheel niet vast, wanneer het geschieden moest, wanneer liet nagelaten moest worden. Doch reeds in de tiende eeuw komen daarover hier en daar nadere bepalingen voor: de regel van Guido voor de abdij Farfa in Italië veroorlooft den scriptoren op mindere feestdagen te schrijven, verbiedt liet daarentegen op Zondagen en hoogtijden ') Toen in lateren tijd de boven reeds ter loops aangeroerde twist tusschen de Cluniacensers en Cisterciensers uitbrak, schijnt ook deze kwestie ter sprake te zijn gekomen: de ongenoemde schrijver van het gesprek tusschen een Cluniacenser en een Cistersienser3) roert ten minste ook deze zaak aan, en meldt dat de volgelingen van den laatsten regel den scriptoren het schrijven geheel verboden op tüden, wanneer de overige kloosterlingen Godsdienstige handelingen verrichtten, terwijl de Cluniacensers het toestonden ook op die tijden, mits de abt het vooraf bevolen had In sommige kloosters, waar men zich gedurende 't grootste deel van de week met andere bezigheden ophield, schijnt men 't zelfs bijzonder verdienstelijk gevonden te hebben, wanneer een der kloosterlingen den tijd, die hem van den Zon- of feestdag restte, aan het afschrijven besteedde.3) Doch tegen het einde der middeleeuwen ging men, uit loutere winzucht dikwijls, in dit opzicht soms alle te perken te

debent, nee extra quoquam otiose vagari. Ncmo ad cos intrare debet, exeepto abbate et priore et subpriorc et urmario. Quod si aliquid eis specialiter dicendum fuent.quod nee illis significari possit, nee ad tempus loeutioni» differri, potent arn.ar.us nsque ... locutorium regulariter cducere cos, et illic breviter quod dicendum est ïntimare.

M V. Guidonis Disciplina Farfensis cap. XV. ap. Herrgott, Vctus disc.pl.na monast.ca p. 99 : In ipsis festivitatibus supradictis iscl. minoribus) scriptores possunt senbere, etianisi

in cappi9 1'uerit cclebiata.

») Dialogus intcr Cluniacensem et Cistercicnsem Monachum apud Martene et Durand Thesaurus Anecdot. T. Y. v. p. 1629, waar dc Cluniacenser zegt: Quod senbentes ad opus Dei non vcniunt, in hoe ncquaquam regulae transgressores sunt, quia praecepto Abbatis obediunt, waarop de Cistercienser antwoordt: Utrumque regulae contrar.um est et illa eorum obedientia, et illud Abbatis privilegium.

») Achter .dat ander stuc van den spiegel der maechden", eens toebei,oorende aan het ürsula convent te Delft, thans aan de Maatschappij der Nederl. Lette. k. te Leiden leest men: „dit boec is veel op heylige dagen gescrcven."