is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Gerrit Dou beschouwd in verband met het schildersleven van zijn tijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al deze meesters en uit een reeks van andere stukken kan men zien, hoe onze voorvaderen, van den rijken patriciër tot den eenvoudigen boer, hun wanden met schilderijen versierden.

Opmerkelijk is, dat evenals thans, een bepaalde wijze van ophangen gebruikelijk was. Heeft men tegenwooidig b. v. gaarne een „schilderij" (in den ruimsten zin des woords) boven de canapé, in de zeventiende eeuw had men er in de eerste plaats een boven de schouw, een schoorsteenstuk. Op Metsu's en Terborch's voorstellingen, die ons in de deftigste kringen verplaatsen, ziet men ze even goed als in de huiskamer van den gewonen bnrgerman, zooals b. v. A d r i a e n van de Y e n n e, die op zijne illustraties Cats' „Houwelyck" afbeeldt. In Brabant, misschien ook wel hier te lande, hing men ook vóór aan den schoorsteenmantel dikwijls nog kleine schilderijen, meest in ronden vorm, zooals vooral op de stukken van Frans F r a n c k e n d. J. zoo dikwijls is afgebeeld. Een andere plaats, waar men thans zelden meer een schilderij vindt hangen, is boven de kamerdeur. Vroeger daarentegen vond men ze er vrij geregeld, ja in het algemeen hingen de stukken zeer hoog, daar dikwijls een lambrizeering, goudleeren behang of gobelin het onderste gedeelte van den muur versierde *). Doch ook aan de witgekalkte muren, zooals die op schilderijen van Metsu, Brekelenkain en vooral op die van De II o o g h herhaaldelijk worden afgebeeld, hangen ze vrij hoog, waarom, weten wij niet: het was in dien tijd zoo gewoonte en nog heden ziet men in dit opzicht nog een enkelen keer het oude gebruik volgehouden -).

1) Zie vooral de stukken van Gonzales Cocques, doch ook dat van G. v. Tilborgh in Den Haag (n°. 2G2), een aan H. v. Aldewerelt

toegeschreven stuk te Gotha (n°. 178) enz.

2) Op den Jan Steen in het Berlijnsche museum (eigendom van den