is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij anders ook zij en ontbloot van allen ondernemingsgeest, met heldhaftitigen moed, en spoort hem aan om honger, koude, smart, de gevaren der wildernis en de nog vreeselijker kastijding te verduren, die hem dreigt, ingeval hij weder wordt opgevangen.

Het eenvoudige morgenmaal stond nu dampende op de tafel, want mrs. Shelby had Tante Chloé voor dien morgen van haar werk in het groote huis verschoond. De arme vrouw had al hare krachten aan dit afscheidsmaal besteed; zij had hare beste kip gedood en gebraden en den korenkoek met angstvallige nauwgezetheid naar haar mans smaak toebereid, en uit zekere in den schoorsteenmantel heimelijk verborgen potjes eenige ingemaakte vruchten te voorschijn gehaald, die opzettelijk voor bijzondere gelegenheden bewaard bleven.

„Zie, Pieter!" zeide Mozes op zegevierenden toon, „daar hebben we wat lekkers bij ons ontbijt," terwijl hij op hetzelfde oogenblik zich van het overschot van het kuiken meester maakte.

Tante Chloé gaf hem tot straf voor zijne vrijpostigheid een duchtige oorveeg.

„Wat! durft gij zoo op het laatste ontbijt aanvallen, dat uw arme vader thuis zal nuttigen?"

„Och, Chloé!" zeide deze zuchtend.

„Nu, ik kan het niet helpen," snikte Tante Chloé, terwijl zij haar gelaat met haar voorschoot bedekte. „Ik ben zoo ontdaan, het maakt mij zoo driftig!"

De knapen bleven staan, zagen eerst hunnen vader, vervolgens hunne moeder aan, terwijl het kleine meisje, dat zich aan hare kleederen vastklemde, luide begon te schreien.

„Zoo," zeide Tante Chloé, hare oogen afwisschende en het kind in de armen nemende, „nu is het gereed; — kom, eet nu toch iets; het is mijn beste kip. Ziedaar, jongens, gij moet toch ook iets hebben, arme stumpers. Moeder is zonder reden boos geweest."

De knapen behoefden geene tweede uitnoodiging en gingen met grooten ijver aan het werk, en zij deden hier wel aan, daar er anders zeker weinig van den maaltijd geworden zou zijn.

„Nu," zeide Tante Chloé van het ontbijt opstaande, „nu moet ik je kleeren inpakken. Maar ik gevoel er bijna geen lust toe, want hij zal je alles ontnemen; — ik weet hoe zij handelen. Zie, daar in dien hoek is je flanellen hemd, tegen de aanvallen van jicht — wees er zorgvuldig mee, want niemand zal je voortaan nieuwe maken. Hier zijn de andere oude en daar de nieuwe hemden. Ik heb de kousen gisteravond gestopt en er een kluwen garen bij gedaan. Maar, och Heer, wie zal ze in het vervolg voor je stop-