is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de ziekteverschijnselen, een dier bedriegelijke flikkeringen, door welke haar onoverwinnelijke kwaal zoo dikwerf het beangstigde hart misleidt, zelfs nog aan den rand des grafs. Andermaal betrad Eva's voet den tuin en de balkons; zij speelde en lachte weder, en haar vader verklaarde in de verrukking zijner vreugde, dat men haar weldra weder even \lug en Moolijk en gezond zou zien als vroeger. Alleen miss Ophelia en de geneesheer lieten zich door deze begoocheling niet geruststellen; veel minder werden zij er met eenigen moed door bezield. Maar daar was ook nog een ander hart, dat met dezelfde zekerheid gevoelde, en dat was het jeugdige hart van Eva zelf. Wat toch is liet dat soms zoo zacht en tevens zoo duidelijk in de ziel des menschen van de kortheid des aardschen levens spreekt? Is het de geheime inspraak van de wegkwijnende natuur, of is het de zucht der ziel, die gevoelt, dat zij met iederen dag de onsterfelijkheid nader komt? Het zij wat het zij, maar die stem sprak in Eva's hart; zij gevoelde de kalme, zoete, voorspellende overtuiging, dat zij den hemel nabij was, kalm als het licht der ondergaande zon, zoet als de stille schoonheid van den herfst; haar hart gevoelde een zalige rust, die alleen gestoord werd door haar bezorgdheid voor hen, die zij zoo vurig beminde en die haar zoo innig liefhadden.

Het kind, hoe teeder ook verzorgd, hoe schoon zich ook aan haar oog het leven vertoonde, dat haar al de zegeningen van de liefde en den rijkdom aanbood, gevoelde niet de; minste smart bij de gedachte dat zij ging

sterven.

In dat boek, 'twelk zij en haar eenvoudige vriend zoo dikwerf met elkander hadden gelezen, had zij het beeld aanschouwd en leeren kennen van Hem, die de kinderen liefhad, en hoe langer zij nadacht en peinsde, hoe meer Hij ophield, voor haar een beeld uit het verledene te zijn, maar \ooi haar een levende, alles bezielende werkelijkheid werd. Zijn liefde vervulde haar hart met meer dan sterfelijke liefde, en naar Hem en Zijn huis, zeide

zij, was het, dat zij heenging.

Maar haar hart gevoelde toch ook een treurige gewaarwording deiliefde voor allen, die zij hier zou moeten achterlaten. Bovenal gold dit haar vader; want Eva gevoelde, schoon zij daaraan nooit bepaaldelijk had gedacht, dat zij meer dan iemand anders voor haar vader was. Zij beminde haar moeder, omdat geheel haar wezen liefde was, en al de zelfzucht, die zij in haar had gezien, had haar enkel bedroefd en neergedrukt, terwijl zij het kinderlijk vertrouwen koesterde, dat haar moeder geen kwaad kon doen. Er lag iets in het karakter van Marie, dat Eva nimmer begrijpen kon, maaibij alles leidde haar de gedachte, dat het haar mama was, en daarom reeds

had zij haai innig lief.

Ook klopte haar hart voor die goede en getrouwe bedienden, voor welke