is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een ernstigen blik, vlocht ze om haar magere vingers, en zag van tijd tot tijd haar vader met zorgvolle blikken aan.

„Dat is juist, wat ik reeds zoolang vermoed heb," zuchtte Marie; „dat is het, wat van dag tot dag aan mijn gezondheid heeft geknaagd, en dat mij in het graf brengt, ofschoon niemand er acht op slaat. Ik heb het reeds sedert lang gezien. Binnenkort, St. Clare, zal je moeten bekennen, dat ik gelijk had."

„Wat zeker een groote troost voor je zal wezen!" zeide St. Clare, op

een drogen, bitteren toon.

Marie zonk op haar rustbank neder en bedekte het gelaat met haar

zakdoek.

Eva's heldere blauwe oogen dwaalden met een ernstige uitdrukking van den een naar de andere. Het was de kalme, overtuigende blik van de reeds half van haar aardsche banden ontslagen ziel; het was niet te ontkennen, dat zij het verschil tusschen beide haar ouders zag, gevoelde en opmerkte.

Zij wenkte haar vader met de hand toe. Hij naderde en zette zich bij haar neder.

„Papa, mijn krachten worden met iederen dag minder; ik weet, dat ik weldra heen moet gaan. Ik wenschte zoo gaarne veel dingen nog te zeggen, en te doen, wat ik doen moet, en u is zoo weinig genegen om mij een enkel woord over dit onderwerp te laten spreken. Maar het moet eindelijk toch geschieden — het kan niet langer worden uitgesteld. Och, wees dan zoo goed om nu naar mij te hooren."

„Ik zjil hooren, mijn kind," zeide St. Clare, met de eene hand zijn oogen bedekkende en met de andere die van Eva aanvattende.

„Ik zou zoo gaarne al onze lieden te zamen hier bij mij zien. Ik heb hun iets noodzakelijks te zeggen," hernam Eva.

„Het zij zoo!'' antwoordde St. Clare op den toon van droevige gelaten

heid.

Miss Ophelia zond een bode af, en weldra waren alle bedienden in Eva's kamer vergaderd.

Eva lag achterover op haar kussens; het haar hing los langs haar gelaat; haar purperen wangen staken treurig af bij de doorschijnende witheid van haar huid en haar magere leden en gelaatstrekken, terwijl zij haar groote zielvolle oogen op iedereen trachtte te vestigen.

De bedienden werden door een plotselinge aandoening getroffen. Het geestachtig gelaat, de lange haarlokken, die van haar hoofd gesneden waren en aan haar zijde lagen, het neerslachtig gelaat van haar vader en Marie's snikken, dit alles scheen op eens al de gewaarwordingen van een gevoelig en voor indrukken zoo vatbaar ras te doen ontwaken, en toen zij binnen-