is toegevoegd aan uw favorieten.

Herinneringen aan 15 januari 1906

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij staiiii zult voor de poorten des doods, dan zal de lof der menschen verstommen. Daarom, er is nog een wensch in mijn

liart, deze, dat, als gij straks de doodsrivier zult zijn doorgegaan,

aan de overzijde van U gelden moge:

Al hun goede werken volgen:

'tZaad, met tranen eens gezaaid,

Schijnbaar in den dood verzwolgen,

Wordt met luid gejuich gemaaid.

Ziet de gouden garven blinken!

Hoort de blijde jubels klinken,

Nu de Heer Zijn dienaar loont,

Met de krans des oogstes kroont!

Ik heb gezegd!

Op deze rede volgt het feestlied, door alle aanwezigen gezongen. Heerlijk klinkt het op de tonen van het oude Wilhelmuslied:

Hebt dank, o fiere mannen,

Voor 't werk door u verricht.

en aangenaam is vooral de zekerheid, dat die danktoon opwelt uit aller hart. Dat vormt een inderdaad harmonisch geheel.

De pauze treedt in. Velen maken van de gelegenheid gebruik het album te bezichtigen, allen om zich op de een of andere wijze te verkwikken. Die pauze is een gezellige onderbreking van dezen feestavond, en zou niet gaarne zijn gemist

Maar hoe gaarne men nog wat langer gepauseerd had, eindelijk moet men toch een aanvang maken met het tweede gedeelte van het programma, dat rijkelijk voorzien is, en ingeleid wordt door het Matrozenlied uit de „Vliegende Hollander" van Richabi» Hoi,.

Het Zangkoor, onder leiding van den heer J. G. van Meel, voert dit lied zeer verdienstelijk uit, en dirigent en zangers moet de bijval, die er op volgt, ongetwijfeld bewijzen, dat de aanwezigen hoogst voldaan zijn.

Een nummer, dat niet op het programma staat, maar waaraan gaarne plaats wordt ingeruimd, is de rede van den Regeeringscommissaris, die luidt als volgt: