is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal u misschien tot inkeer brengen, ik behoef 't niet te verzwijgen, heel Lübeck weet 't — ik heb een gewichtige boodschap voor Hamburg, die ook voor u van belang is. Wilt u voor niets en nog eens niets u den toorn op den hals halen èn van de Elbestad èn van de Travestad?"

.Jongens, jongens, wat hebt u een reeks van argumenten, heer Hyddo" antwoordde de ridder lachend. „Op het laatste moet ik dadelijk bescheid doen. Al is daar in uw gordeltasch — door mijn bode, weet ik van uw opdracht — ook honderdmaal sprake van vriendschap en welgemeendheid, ge weet zoo goed als ik dat heel Hamburg geen honderd mark bij elkaar brengt om wraak te oefenen op een Holsteinsch ridder, die het wat Lübeckschen lastig heeft gemaakt. Overigens, als ik u gerust kan stellen, uw brief kan gerust verder reizen."

„Zoo, wat wilt u dan eigenlijk met ons beginnen?"

„Luister op uw beurt nu ook eens geduldig en laat mij nu het woord. Eigenlijk is 't een wijdloopige en vervelende geschiedenis, 'k zal probeeren het kort te maken. Zoowat om de streek van Maria Lichtmis zijn twee knechten van me — de een heeft zooeven u uw arm op uw rug gebonden — met een opdracht om allerhande inkoopen te doen van mijn kasteel bij Segeberg naar Lübeck vertrokken. Ze hebben niet alleen gezorgd voor hetgeen ik ze had bevolen, maar zich ook, zonder dat ik ze daar opdracht toe gegeven had, in een herberg een flinken roes gedronken. Er is toen eerst een woordentwist en later een kloppartij ontstaan tusschen hen en een stuk of wat gezellen van het brouwersgilde en mijn mannen, die de schuld zouden zijn van die vechtpartij, zijn in de gevangenis gestopt! Goed, tot zoover kon ik er niets tegen hebben. Toen ik de lucht van die historie kreeg, stuurde ik heel behoorlijk een bode naar den raad en verzocht mij het tweetal gebonden over te leveren, ze zouden hun welverdiende straf niet ontgaan, en bij alle veertien noodhelpers, ik zou ze niet zacht behandeld hebben, want Hummelsbüttel houdt van orde in zijn huis. Maar wat deden die opgeblazen peperzakken? — vergeef me 't woord, bij u noemt men ze den wijzen raad — ze lieten de twee dienaren van Lars Hummelsbüttel in het openbaar op het schavot geeselen — dat zou ik misschien nog hebben geduld, — maar daarbij hun door meester Roodmantel, den Lübeckschen beul, de oorlellen afbranden en mij als spottenden groet zeggen: dat zou een herinnering voor mij wezen, en ik kon me nu telkens als ik naar die lui keek, herinneren, dat de stad Lübeck binnen haar muren haar

2