is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijselijk had Olrik Rasmus bevolen dat de strijd op het dek hoofdzakelijk door de mannen van wapenen zou worden gevoerd, terwijl de bemanning er voor zou zorgen dat niet meer toevoer van zeeroovers zou overklimmen en zoodoende den vijand zou versterken, 't Kwam er nu op aan, hoe dan ook, naar kracht en vermogen den vijand te lijf te gaan en hem zooveel schade toe te brengen als men maar eenigszins kon. Lambert vocht tusschen den bevrijden Karsten en Wizlaw Rolof. Zijn ridderzwaard scheen hier toch drommels goed te pas te komen, reeds verscheiden zeeroovers had hij een bloedig herinneringsbewys gegeven. Hadden die kerels, geen maliënkolders gedragen, net als hij, dan zouden er al heel wat door Lambert naar de andere wereld zijn gestuurd.

Zou dat soms de aanvoerder der zeeroovers wezen, die lange, magere man, met dat borstharnas? Net drong hij op Karsten in en de anders zoo handige man had moeite om zich tegen hem te verdedigen. Een steek in Karsten's schouder, door den mageren man gericht tegen diens borst, en door dezen nog beantwoord met een bijlhouw, ging niet diep en scheen niet gevaarlijk, maar de bijl ontviel de hand van den gewonde, die zoo in een oogenblik onstrijdvaardig werd. Voor een tweeden steek of houw beschermde hem het zwaard van Lambert, dat op den stalen helm van den mageren viel en dien hooren en zien deed vergaan. Een oogenblik slechts was hij versuft — zijn hoofd was niet beschadigd — toen draaide de zeeroover zich een kwartslag om, en wilde 't tegen zijn nieuwen vijand opnemen. Toen keken de twee tegenstanders, Lambert en de andere, elkaar voor de eerste maal in het gezicht, en als bij afspraak lieten ze hun zwaarden zakken en uit ieders mond klonk een roep van verbazing. Ontzet puilden de oogen van den zeeroover uit hun kassen, alsof hij een spook had gezien. „Wat? — U?" Dat was alles, wat uit zijn trillenden mond kwam.

Zonder aan toeslaan te denken, zonder verder na te denken, sprong hij naar de reeling, en klom overboord op het nog opzij liggende rooversschip.

Dit wonderlijke voorval, hoewel waarschijnlijk slechts door weinigen opgemerkt, was in alle geval zeker door geen der andere strijdenden begrepen; toch bleek het van beslissende beteekenis te zijn. Toen de zeeroovers dien mageren zoo plotseling zich zagen terugtrekken, zochten ook zij zich te redden op het door hen verlaten schip, in de meening dat hij een nieuw, tot dusver onbekend gevaar had ontdekt.