is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voerende schipper aan boord — beveelt den stuurman den kiel meer te richten naar het Oosten, naar het strand en Wizlaw Rolof moet het dieplood laten vallen om naar ankergrond te peilen. Vandaag hebben ze een duchtig stuk water afgelegd en, 't schijnt doenlijk volgens de melding van den oude, — Lambert laat de zeilen reven, de ankerkettingen rammelen.

't Loopt tegen het eind van den namiddag van een dag midden in den zomer. De Westfjord ligt heelemaal niet verlaten; Lambert en Wizlaw, die nadat het schip voor anker lag, op hun gemak heen en weer kuieren op het achterdek, zien rondom hen heen een opgewekt druk arbeiden, meest visschers.

„Kijk eens Wizlaw!" riep Lambert en wees naar eenige jagers op eiderdons, „misschien kunnen we met een dubbele vracht naar Bergen terug varen. De stokvisch zal 't geen kwaad doen, als we 'm goed onder de veeren stoppen en 't zou een mooie herinnering wezen, als we voor het heele huis en nog een paar straten 'n fijne bedvulling naar Lübeck meebrachten."

„Zooals je wilt, Lambert, de handel in dons is niet slechter dan eenige andere. Daar heb je nu al dadelijk de helft van de dieren voor oogen, die den Noor aan de kust in het leven houden. In het water de stokvisch, er aan de eidergans, de andere zul je op het land wel leeren kennen, het rendier en de havelooze honden, die onontbeerlijk zijn voor het bewaken en opvangen der rendieren. Een arm volk hoor, en 'n moeilijk bestaan!" —

De zon daalt, maar onder gaat ze niet; haar dagboog is doorloopen en toch verdwijnt ze niet aan den horizont. Valer, matter wordt haar schijnsel, nog steeds glinsteren haar stralen, anders dan het zilveren maanlicht, alleen schijnt het felle middagvuur wat gedoofd. Als een reuzennachtlicht staat de middernachtzon met donkerroode schijf in Noorwegen en staart op de aarde als om uit te rusten, om met frissche krachten morgen weer haar dagboog te beginnen. Al blijft het evenwel dag, toch bemerken menschen en dieren dat het nacht wordt en ze houden op. De booten roeien naar land, de visschers gaan ter ruste, de eiderdonsjagers verlaten de klippen, nog eenmaal kringen de van hun nesten beroofde dieren om de rotsen, dan hokken ze stil neer om morgen aan een nieuw nest te beginnen.

Stille, maar niet geluidlooze majesteit breidt zich uit over de Westfjord. De golven kabbelen tegen de rompen der schepen, zacht