is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klinkt de branding van de Lofoden, en van de kust hoort men het eentonige bruisen en ruischen der watervallen, welke door de spleten der rotsen zich in de zee storten. Geen geluid van menschenarbeid daar tusschen. De nachtzon beschijnt met haar eigenaardig licht het schier wonderbare vasteland, dat nog altijd schemert in de verte. Grijsbruin lijken de steile, hoekige rotsen, welke zich in de zee weerspiegelen, slechts de watervallen vormen blauwwit glinsterende streepen en banden tegen de rotsmuren. Hier en daar ligt als in een pantser een klein dal, dat zich landwaarts in uitstrekt, en in zijn groene, smalle weide wordt een eenzaam boerenhuis zichtbaar, omgeven door dwergberken. En in het oosten verheft zich in schilderachtige pracht de koene kam van het Kjölengebergte met zijn koene, met ijs en sneeuw bedekte tanden en toppen, met de breede gletschervelden, welke eeuwen door langzaam zakken naar het dal, naar de zee. — Dat is het Noorden, het voorhoofd der aarde bij middernachtzonneschijn.

Lambert, die met zijn trouwen Rolof, lang al die heerlijkheid rond om hen had aanschouwd, wou net doen wat de meesten van het scheepsvolk hadden gedaan, namelijk gaan slapen, toen van de kust een doordringende kreet, blijkbaar een kreet uit 'n menschenkeel, zijn oor bereikte. Wizlaw en een paar mannen, die op dek waren gebleven hadden hem eveneens gehoord; men luisterde, maar alles bleef verder stil. Ze spanden hun oogen in, in de richting vanwaar het geluid tot hen was gekomen. Eerst was niets te bekennen — maar — daar maakte zich iets los van een rotsblok; een boot! Ze moest te voorschijn zijn geschoten uit een bocht welke door de lui op de smak niet gezien kon worden. Twee gestalten konden ze erin herkennen, voor op de plecht van de boot, met den rug naar de smak was een man hard aan 't werk met twee riemen, men zag 't aan het buigen der spanen en aan den ruk, welken de de boot kreeg bij eiken nieuwen slag. Achter bij het stuur, doch niet het vasthoudend, zat een tweede gestalte, bewegenloos; op de smak hield men haar voor een vrouw.

„Hoe denk jij over die menschen daar in die boot, Wizlaw?"' vroeg Lambert gespannen.

„'k Weet niet wat ik er uit maken zal. Veel goeds in alle geval niet; antwoordde de oude.

„Of die schreeuw uit die boot zou zijn gekomen?"

„Ik geloof vast en zeker van ja."