is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baas was, was zwaar gekrenkt door den Zweedschen koning Magnus en zijn zoon Haakon, den koning van Noorwegen. Waldemar Anderdag bad zijn dochter verloofd met Haakon. Zonder echter een reden er voor op te geven maakte Magnus een einde aan die verloving en deed aanzoek voor zijn zoon om de hand van Elisabeth van Holstein, de zuster van graaf Heinrich. Dat moest des te hatelijker lijken, daar Waldemar op een zeer gespannen voet leefde met den Holsteiner en reeds aan een oorlog gedacht werd.

Ditmaal liep de reis fortuinlijker af, dan de stormachtige heenreis was geweest, en einde Juni lieten ze het anker vallen in de haven van Kopenhagen, waar een handelszaak van luttel beteekenis ze een dag rust deed nemen. De zuidelijke toegang tot de Sond bood altijd een druk, levendig tooneel en het voorschrift dat alle schepen slechts een derde deel van hun zeil mochten voeren als ze de nauwe straat passeerden, was dringend noodig om ongelukken te voorkomen. Dezen keer echter kwam den Bergenvaarders de Kopenhaagsche haven heel bizonder druk, ja zoo goed als verstopt voor. Behalve de smak en schuiten, die gingen en kwamen, of op hun ankers lagen te rijden, bezig met nieuwe lading in te nemen, lag er een zwerm van leege transportschepen, welke nog niet eens volledig opgetuigd waren en op 't oog geen equipage hadden, vlak bij den lagen havenmuur. Die vaartuigen waren ter nauwernood verankerd, en werden met lange lijnen aan den wal gehouden. Daarnaast lag een talrijke groep groote krijgskoggen, ook op 't oog nog niet met krijgsvolk bezet, het dek nog vrij van de voor den strijd benoodigde werpmachines en blijden; maar masten, raas, touwwerk en zeilen toonden zich reeds in den besten toestand.

Verbaasd en nadenkend namen de Lübeckers deze groep op, nu ze gaf er wel stof toe. De Hadewartsche smak wierp het anker uit op geringen afstand van de laatste krijgskogge, welker dek zonder

menschen, ze konden overzien.

Lambert stond op dek en wees op die massa schepen en zei tot Wizlaw Rolof: „dat ziet er volstrekt niet vriendschappelijk uit. 't Toont erg geweldig en onheilspellend, ik geloof dat 't de stilte voor den storm is. En die storm is niet ver af ook, maar kan elk oogenblik losbarsten. De machines zijn zoo op de koggen gebracht, de takelage der transportschepen kan in twee weken kant en klaar wezen. Die

heele geschiedenis bevalt me niet."

„Ja," was het antwoord van den oude, „dat er iets aan het handje