is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dier en dat de eerste meester Pochler verlangde te spreken. Ze kwamen ver uit het Noorden, uit een stad waarvan ze den naam niet goed had kunnen onthouden en brachten een aanbevelingsbrief mee."

.Heette die stad soms Lübeck?" vroeg de heer des huizes.

,Juist, dat was de naam!"

„Laat binnenkomen! Ze zijn welkom en zullen 't goed hebben! De bediende kan de paarden bü ons in den stal brengen, maar je moet den heer dadelijk hier brengen. By Pochler is de werkplaats, wat bij een vorst de audiëntiezaal is!"

De meid ging en tot zijn bezoeker vervolgde de meester: „Je zult toch niet weggaan, vriend Schonhover? Een prettig bezoek uit de Hanzestad, dat me al aangekondigd was en waarvan ik hoop dat 'tjou en my plezier zal doen, dat 't aan de Pegnitz is gekomen."

Lambert Hadewart en Hans Dreiling, die in Bamberg van broeder Anselmus gescheiden waren, waren in de beste gezondheid te Neurenberg aangekomen en hadden zich door den jongen van den wachter van de Spittlerpoort naar het huis van Pochler laten brengen. Toen Lambert zijn voeten over den drempel zette werd hij hartelijk welkom geheeten door den meester. Deze noemde dadelijk zijn naam en zei, toen Lambert erg verbaasd opkeek : „U behoeft me niet zoo verwonderd aan te kijken, alsof ik een heksenmeester ben. U hebt er onderweg uw gemak van genomen en een brief van uw waarden broeder heeft me al vier dagen geleden bereikt."

De nieuwe gast bedankte en wilde Hartwigs brief te voorschijn halen, maar lachend weerde Pochler dat af. „De drukke en vieze smidse is een slechte plaats voor schrijverij: ik weet immers zoo toch ook wie u bent. Bewaar dien brief maar tot in het voorhuis! Hier deze! — en hij wees op zijn anderen bezoeker — is de meester beeldhouwer Schonhover, die mijn werkplaats de eer van een bezoek aandoet om onze nieuwe schietmachines, de donderbussen, met eigen oogen te leeren kennen. We zijn al heel wat weken er aan bezig en naar ik denk, zult u er wel uw bizondere aandacht aan wijden, want naar uw broer me heeft geschreven is u veel meer krijgsman, dan koopman en hebt u daar in 't Noorden al heel wat meegemaakt. Misschien is u een beetje moe?"

„*t Is met die moeheid nog niet zoo erg gesteld, meester Pochler, maar eerst moet ik voor mij en myn jongen een herberg opzoeken, zoudt u me er soms een kunnen aanbevelen?"

„Och, wat herberg! Een Lübecksche Hadewart woont in mijn huis!