is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook een gehuil, maar scherper, ongelijkmatiger, iets heescher en meerstemmig. De voerlieden en Werner Bütow kennen precies wat daar hun oor treft, kennen de kelen van hongerige wolven, die hen op 't spoor zijn. Ook de trekdieren der beide sleden hebben de toon bij het eerste spitsen hunner ooren al verstaan en trekken zonder zweepslag met nieuwen moed in het tuig. Heel achter op den straatweg, voorloopig nog ver verwijderd, zien ze een aantal zwarte, bewegelijke punten over de witte sneeuw snellen en Werner Bütow zegt tot zijn reisgenooten: „Daar hebben we het vee. 'n Flinke hoop."

„Zullen we ons klaar maken om ze af te weren en te bestrijden?" vraagt Lambert.

„Waarachtig," antwoordt de ander, „maar we vechten niet meer dan we moeten en altijd in gestrekten draf; onze beste bondgenooten blijven de pooten van onze paarden en rendieren. Sascha" roept hij den paardenbedwinger toe, „laat de tweede slee je vooibijrijden, wij moeten de dekking op ons nemen, de dieren bedreigen ons alleen van achteren omdat ze in een bende voor den wind loopen",

Is er geen gevaar voor ons van opzij en uit het bosch, meneei

Werner ?"

„Minder, misschien toevallig een oude, afgedwaalde sinjeur. De bende loopt het snelste en daarom het beste op den weg. waar de dieren ruimte hebben om voor elkaar uit te wijken".

Als de rendierslede de paardenslee is gepasseerd en de leiding heeft overgenomen, worden zes fakkels, die bij het vertrek uit Mitau reeds in ijzeren ringen aan de slee zijn gezet, aangestoken ter afwering en bescherming; Hans Dreiling is de man, die dat 'm levert, terwijl de sleden zoo hard ze kunnen voortjakkeren. Iedereen, behalve de koetsier, neemt een piek ter hand en nu worden de plaatsen aangewezen. Yoor, naast den voerman posteeren zich Lambert en Harms om het gewichtigste werk op te knappen, het beschermen der paarden; in geval van nood kunnen ze met hun pieken tot aandevooiste paarden komen. Hans en Wizlaw steunen met de borst tegen den rug van de slede en houden de zwarte punten in het viziei, welke iets grooter worden. Midden in de slee staat Werner Bütow, naai voren en naar achter, naar rechts en naar links het oog houdend.

„Goeden moed en kalm bloed" ving hij nog eenmaal gelaten aan, „hebben we allen en zullen die ook behouden. Maar geen weekhartigheid ! Als den rendiervoerman daar voor iets menschelijks over-