is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevatten, een nieuwe godsakker, buiten de stad, aan den Noordmuur tusschen de galg en St. Görans voormalig klooster gelegen, nam de ontslapenen op; in St. Güran, dat lang als toevluchtsoord voor leprozen had dienst gedaan, hadden de pestlijders schouder aan schouder gelegen, twee Franciscaner broeders die het langste de sluipende ziekte weerstonden, reikten den ten doode gewijden een laatsten frisschen dronk, tot ook zij bij de anderen moesten gaan liggen. Nu was dat alles voorbij, voorbij — maar niet vergeten! Heele huizen stonden leeg, de straten verlaten. Waar zijt gij, trotsch Wisby?

In dien trant klaagde de raadsheer Bernhard Hadewart te Wisby in zijn huis in de Klosterbrunnstrasse tegen zijn lieven gast en neef Lambert. Die had een gelukkige reis van den Pregel naar Gothland achter den rug, na van zijn vrienden uit Königsberg en Nowgorod afscheid te hebben genomen. Toen de smak in de haven van Wisby de plek passeerde, waar jaren geleden de boot der vluchtelingen s nachts over den sperketting voer, had Lambert lachend zijn hand gelegd op Wizlaw's schouder en zich met hem nog eens vermaakt over dat doldrieste stukje. Hans Dreiling betreurde het in stilte, dat hij bij dat avontuur nog niet bij zijn heer in dienst was geweest.

Maar de aanblik van de verweesde haven en de stad, welke zoo stil was als een kerkhof sneed den Hanzeaat door de ziel, en wat vond hij zijn oom zelf veranderd en buiten verwachting verouderd! De toenmalige nog krasse man was een moede grijsaard geworden, met sneeuwwit haar, met 'n verwelkt, doorploegd gezicht en oogen dof van verdriet. Een weemoed verwekkend beeld!

"KiJk me toch niet zoo medelijdend aan, mijn jongen!" was de oom tegen Lambert begonnen te zeggen, „ik weet wel, dat de laatste jaren me erg hebben aangepakt, maar dit is een vreugdedag, dat ik je weer eens te zien krijg."

„Als ik dat had kunnen vermoeden oom, dan was ik elk jaar eens over komen zeilen."

„Toch niet, Lambert. Ik heb van je reizen gehoord en benerover tevreden; most moet tot wijn uitgisten; je hebt je tijd niet verloren."

„Maar beste oom, waarom wilt u altijd hier alleen blijven en niet bij ons aan de Trave komen ? Van den ouden Wizlaw heb ik van uw jeugd en van uw eed om Lübeck niet meer te betreden gehoord. Ik behoef u natuurlijk niet te zeggen dat de Kerk en de Heilige Vader u van uw eed kunnen ontslaan."

„Goed dat je me daarop brengt, ik zou er anders zelf over zijn