is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lang schommelde het tongetje in het huisje van de weegschaal der kuipers heen en weer, lang probeerde Bodener de menschen bij Birkebusch tot vrede te bewegen. Een enkele avond bracht bij den kalmen deken de beslissing ten nadeele van den Raad.

De strenge Bruno Warendorp, toentertijd regeerend burgemeester was een even bezadigd als welwillend man, had het welzijn van heel de stad op het oog en wilde tot heil van beide partijen — zoo kon men helaas al zeggen — maar al te graag de onaangename spanning de wereld uit helpen. Maar eerst orde, tot eiken prijs orde! In dien tijd dacht geen mensch nog aan formeele rebellie. Zoo liet hij, daar daags van te voren weer te onbehouwen gescholden en geschimpt was in Birkebusch z'n kelder, den volgenden morgen plotseling den verschrikten waard voor een poos zyn patent afnemen en 's avonds de toegangsdeur door eenige stadssoldeniers bewaken, om aan het verbod nadruk bij te zetten. Meester Kurzrock werd ook teruggewezen en had in zijn woede al bijna voorspeld dat de wereld zou vergaan, toen Erich Bodener aan kwam zetten. Ook hij beschouwde het verbod tegen vreedzame burgers, die een algemeene, gewichtige zaak wilden bespreken, voor onrechtvaardig, heftige woorden werden geuit, een wrijving ontstond; doch op hetzelfde oogenblik werd de wacht versterkt en ditmaal zetten de stadsknechten zonder bloed te vergieten den wil van Bruno Warendorp door; 't kostte dezen en genen alleen een buil of 'n blauwe plek of een paar striemen.

Yan dit oogenblik waren de kuipers vyandig gestemd tegen de overheid. Langzaam gistte het, langzaam groeide de lawine. De ontevredenen hadden gauw genoeg een andere verzamelplaats opgeduikeld en daar gingen ze even hard te keer als bij Birkebusch.

Nu ging ook de Raad een stap verder. Een raadsklerk moest, vooraf gegaan door een man van wapenen en den eersten stadspijper, door de straten gaan en op alle hoeken een vermaning van de overheid aan de burgerij voorlezen. Daarin werd gezegd dat de burgers over dag alle samenscholen in de straten moesten vermijden en ook in hun discours 's avonds zich hadden te onthouden van het debiteeren van grofheden over de boven hen gestelde macht. Er zou zware boete op staan! Ook zou niemand zich op straat laten zien met een wapen in de hand. Met dit laatste verbod beging men misschien een dwaasheid, want juist daardoor werd de menigte op het idee van wapens gebracht. Zelden ging, zonder dat het verboden was, een burger over straat met een spies of een zwaard, ten minste als er