is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een klein Deensch oorlogsvaartuig werd in het Skagerrak aangeklampt en na korten tegenweer bemachtigd.

De invallende winter dreef het kaperschip in de haven van de

Noordzee.

En nu was ze gekomen, de zoo vurig verlangde, verlossing brengende tijding, welke als een stormvogel de thuiskeerende afgezanten vooruit vloog.'oorlog met koning Waldemar Anderdag! Openlijke oorlog van de gezamenlijke Hanzeaten tegen hun aarts- en erfvijand!

Lambert juichte, zijn bemanning en zijn mannen met wapenen met hem, een alleen zat ernstig op het achterdek en staarde somber naar den ' loodkleurigen winterhemel, naar het groene water, dat haast onhoorbaar stil langs de planken golfde en maar heel zachtjes kabbelde. Die eene was Harms Schutner, de stuurman van de Wolf, de zoon van den roodmantel van Hamburg. Geen gunde zijn heer, dien hij nu eenige jaren trouw vergezeld had en steeds meer lief gekregen, meer die vreugde dan hy 't deed, maar een heel donkere schaduw lag op zijn ziel en hy had een voorgevoel van een aanstaanden omkeer der dingen, welke hem veel zou kosten. Lambert scheen de gedachten van zijn stuurman, die hem tot vriend geworden was, te lezen; ook hem, den schipper, al zag hij niet zoo treurig de toekomst tegemoet als Harms, pijnigde een bange twijfel en hij vermeed een korte poos den melancholieken te ontmoeten.

Doch spoedig gedoogde zijn recht-door-zee-aard dit voorzichtige uit den weggaan niet meer; hy besloot aan den onhoudbaren toestand een einde te maken, daar hy in elk geval binnenkort naar Lubeck dacht te vertrekken, over land. Dus ging hij naar den eenzame op het achterdek, legde vriendschappelijk zyn hand op Harms z'n schouder en zei: „Harms! Vooruit, kerel, spreek op! Wat scheelt je? Je bent door dit nieuws omgekeerd als een blad op een boom. Je woede op je doodsvijand kan toch niet zijn ingesluimerd ?"

„Neen schipper," gaf de ander ten antwoord, „m'n haat is nog altijd de oude, maar naast haar zijn liefde, trouw en hartelijke aanhankelijkheid aan u, m'n hart binnengeslopen."

„En — dat is toch geen reden tot droefgeestigheid?"

",Toch, Lambert Hadewart! En u kunt den samenhang raden, al denkt ge er in uw goedheid voor mij misschien niet aan. De oorlog — God geve u heil, eer en zege! — de oorlog scheidt ons.

„Scheidt ons, Harms?" herhaalde Lambert treurig, „leg me eens

uit, hoe."