is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan hebben de kerels voor geen oortje moed meer en verdienen ze het dubbel en dwars dat we hun het vel over de ooren trekken."

Lambert, die deze woorden van den oude had gehoord, zei: „Er zal niet al te veel achter steken, Wizlaw, schepen zijn er niet, anders moesten we allemaal stekeblind z\jn; dat ze ons van uit de stad op een ordentelyken hagel van steenen denken te tracteeren, is heel waarschijnlijk en 't zal wel niet lang uitblijven, 'k Zal toch eens bij de Draak gaan vragen of we ze niet zullen lokken."

En hij nam den scheepsroeper en vroeg aan Warendorp of ze niet door een paar woorden uit de donderbussen de stad zouden laten weten, dat ze waren aangekomen. Hij kreeg een toestemmend antwoord, riep dadelyk Hans Dreiling, die van vechtlust en opwinding gloeide en beval: «Hans! Kijk dien grooten steenklomp met al die vensters eens goed aan! Dat is het Kopenhager slot en de lui die er in zitten, schijnen erg vast te slapen; richt daar onze donderbussen eens extra scherp op en schiet dat koningshuis eens in z'n oogen, zoodat de lui erin wakker worden."

Juichend ging Hans weg en een paar minuten later knalden twee schoten van het dek van de Beer, vlak daarop twee van de Draak, knetterend sloegen twee kogels in het dak van het slot. Nu kwam er als bij tooverslag leven in de totnogtoe doode vesting, 'n Veelstemmig geschreeuw klonk uit de richting van het slot over het water, drie zware blijden, welke achter een beschermenden aarden wal aan het strand geposteerd waren, begonnen haar moorddadigen arbeid; een steen van eenige centenaars zwaarte schampte den mast en sloeg achter het roer van de Beer in zee. „Zie je, oude brombeer", zei Lambert vroolijk tegen Wizlaw Rolof, „je moet de lui maar vriendelijk toespreken, dan krijg je ze dadelijk uit de plooi en raken ze ook op hun praatstoel."

„Iets meer zee houden!" klonk Warendorp's kommando van de Draak. „Dan flink antwoorden met onze blijden!"

Terwijl dit bevel werd uitgevoerd, knikte Wizlaw tevreden met het hoofd en zei: „Aangenaam! Nu weten we ten minste waar we aan toe zijn. Zoo'n doodsche stilte kan ik in den oorlog niet goed verdragen."

Met de beschieting van Kopenhagen was de oorlog tegen Denemarken begonnen. Al was er geen enkel oorlogsschip te bekennen, zoover het oog naar het Noorden en het Zuiden kon zien, Bruno Warendorp liet het noodlot van Helsingborg als waarschuwing dienen. Wie kon weten of heer Anderdag bij zijn schijnaftocht nog niet de