is toegevoegd aan uw favorieten.

Jacobus Koelman

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo klaagt hij dikwijls. Maar kon het wel anders, waar zij, die dien hof moesten bevochtigen, zelf dor waren; kon men het anders verwachten, waar velen van hen, die gewag zouden maken van Christus' naam, «geen schellekens noch granaatappelen», d. i. geen geluid of geur hadden?1) liet was inderdaad droevig. Waar vond men de «conditiën, hoedanigheden, betrachtingen», die billijk geeischt mochten worden in het leven van een prediker?2) Helaas, de meesteu hadden een ongeestelijk verleden, en vertoonde zich in eenigen nog eenig waar zaad der genade, dan bleek het toch terstond, dat zij nog kinderen in genade en nieuwelingen in de rechte «Christelijkheid» waren, en dat het heden nog altijd leed onder den last van het verleden.3) Een krachtig getuigenis moest er uitgaan van de kansels in Nederland, maar hoe zou het kunnen, daar men toch niet getuigen kan van hetgeen men niet zelf gezien heeft. En hoe jammer. Zoo stond het geschapen met de meeste leeraren in Nederland. Was het geestelijk leven der leeraren »dun en mager», dit zou nog anders kunnen worden, indien zij zich genegen vertoonden, om de gemeenschap der heiligen voorbeeldelijk te oefenen.1|) Maar wat leerde de praktijk? Dit, dat de meesten het gezelschap der gegroeiden in genade verfoeiden en ontvluchtten, dat bijna allen met kracht ageerden tegen de Christelijke gezelschappen, die toch reeds zoo vervallen en in onbruik geraakt waren, en dat de vromen, indien zij eene stichtelijke samenspreking wenschen te hebben, bij de leeraars «geen weergalm kregen».5) Ja, in plaats van altijd en overal door hunne gesprekken het vuur, dat toch reeds zoo

■) Idem, blz. 134. *) [dein, blz. 13. 3) Idem, blz. 14. ») Idem, blz. 15. 5) Idein, blz. 17.