is toegevoegd aan uw favorieten.

Jacobus Koelman

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten hemelwaarts met naar geschreeuw, De groote Godt te tergen!

VIL

Wy leven in een naer besteck,

Daar Zion heygt en schynt te sijgen;

Door levenskracht, en geests gebreck En haar beminnaars swijgen!

VIII.

Wij leven daer wy wachten gaen, Of Jesus quam syn luyster toonen,

En Zion kleed' syn schoonheyt aen; En met sijn glans haer kroonen:

IX.

Maer helaes! Zion haest beswijck:

Want 't schijnt hy wil noch verder wyken,

Die u af wies u vuyl slijck,

Wie sult gy dan gelijken?

X.

Tot noch toe hadt gy schaars sijn geest, Soo dat het scheen als sout gy sterven,

Ja uwe leden scheen meest,

Syn levens sat te dervn.

XI.

Gy wiert seer swack en uyt geteert, Men zagh u schoonheyt seer vervallen!

U herte was het dat u deert,

Door wellust overvallen.

XII

üw' brandend' lichten uytgedooft, Uw' trouwe Herders afgesneeden,

Van uw' glans, en eer berooft, Van vreugt, en troost vertreeden.

XIII.

En moestet dan ons hert niet breeken, En beeken uyt ons ooge vlieten, üm dat ons glory is geweeken?

* * lipt (-inrl verdrieten !