is toegevoegd aan uw favorieten.

Jacobus Koelman

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXI.

Een Man een uytverkooren vat.

Een man een segen in de lande,

Van God gesonden tot een schat. Een seegen in sijn hand.

XXII.

Het Sluysche volck was 't acker werck, Daar d'opper scharen Hem planten, Met segen in sijn Ziel en Kerck, Tot schrick van booze quanten.

XXIII.

Syn lust tot groey van Jesu ryck. Syn wackerheyt in uyt te roeyen,

Al wat was sleur en trant gelyck,

Opdat Zions berg bloeyen;

XXIV.

Verwekte hem veel twist en strydt, Het helsch gedrog van alle zyden,

Riepen uyt haast u maekt hem quyt, Om dat zyn tonh niet snyden!

XXV.

Dus wiert dees man door macht berooft, Hoogh gewelt hem Sluys deed laaten!

Om dat syn ziel aan God verlooft, Des menschen vond moest haaten.

XXVI.

Maar God die in den hemel woont, Die wist syn knecht zeer wel gebruyken

In spydt van boosen die het hoort,

Deed in syn hert syn vree ontluyken.

XXVIT.

En gaf hem vreugt, en dobbel geest, Soo dat syn mondt geduerigh preekte,

De hemelsch leer seer onbevreest,

Waar door hy kind'ren queekte.