is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet afgelegd hebben, over een rotsachtigen, ongelijken bodem, gelijk de Roode Zee daar heeft. Reden waarom ook, oude Schriftverklaarders, die oordcelen, dat hier de wonderbare doortocht geschiedde, beweerden, dat Israël niet door de Zee getrokken is naar de overzijde, maar, in een halven cirkel gaande, weer aan de Egyptische zijde, Noordelijk van Farao's leger, is uitgetogen, en vervolgens om de Roode Zee trekkende, den Oostelijken oever bereikt heeft, terwijl Farao en zijn heir, in de terugkeerende golven, den dood vonden.

„Zoovele Savants, zoo verschillende opinies, wat den weg betreft, door Israël genomen bij den Exodus," gelijk BRUGSCH het uitdrukte, op het Internationaal Congres van Oriëntalisten, in Sept. 1874, te Londen, waar hijzelf weer een nieuwe opinie in deze voorbracht; nl.: Dat door „Zee", in het geschiedverhaal der legering, niet de Roode Zee, maar de Miiidellandsche Zee verstaan moet worden, langs welke het Volk getrokken zal zijn ; terwijl Farao en zijn heir in de biezen van het Meer Serbonis-Jam-Suph, de „Algae-zee" (van waar de verwarring met Roode Zee) verdwaald geraakt en versmoord zullen zijn.

Dat de gevoelens der Savants in deze zoo uiteen loopen, is vooral te wijten aan de onzekerheid, waarin men verkeerde, omtrent de juiste ligging der plaats, vanwaar de uittocht begon, én der plaatsen, in den Bijbel genoemd, waar het Volk zich legerde. Terwijl ook niet, of niet ten volle, rekening werd gehouden met de veranderingen, die, in den loop der eeuwen, het terrein, van het tegenwoordige Suez tot aan het Meer-Timsah, heeft ondergaan.

Vast staat, dat de Yam-Suph, de Schelf-zee, zich vroeger uitstrekte tot nabij, of geheel insloot, het Meer-Timsah; in elk geval, dat de tegenwoordige „Bittere Meeren" één geheel met de Roode-Zee (Yam-Suph) uitmaakten.

Evenzoo staat wel vast, dat de Kinderen Israels niet, gelijk Josephus meldt, uit Letopolis, waar later Babyion gebouwd werd, (het tegenwoordige Oud-Cairo) kunnen getrokken zijn, door de Derb-el-Besatin, Wady-ct Tih, en Wady-et-Tawarik, uitkomende ten Zuiden van den berg Attakah, daar deze weg geen water heeft, terwijl Israël niet klaagt over gebrek aan water, vóór zij drie dagen in de woestijn gereisd hebben.

Zoo ook staat vast, dat het oude gevoelen, als zou Heliopolis (On), ongeveer 10 mijlen ten Noorden van Cairo, éénzelfde plaats zijn met „Rameses," verkeerd is, en dat dus de daarop rustende vaststelling der route vervalt.

Van Heliopolis zou Israël dan, in N.-Oostelijke richting, gereisd zijn langs „Succoth" (Scenae) naar,, Etham", en van daar naar Pi-hahiroth (Heroöpolis), waar zij Zuidwaarts moesten, tot zij, bij Suez, door de Zee gingen. Wel is langs dezen weg water; doch de afstand is te ver. Van bedoeld „Rameses" naar „Etham" is 42 Eng. mijlen; van daar naar het Meer-Timsah is 24 mijl; en dan naar Suez nog minstens 60 mijlen; zoodat de afstand tusschen „Rameses" en Suez minstens 125 Eng. mijlen bedraagt. Zulk een distantie kon geen trek, als die der Israëlieten, afleggen in 3 dagen, — kwalijk binnen 8 dagen. Het is inderdaad verrassend, hoe men de kaart van dit deel van Egypte gemaakt heeft, in overeenstemming met zijn gevoelen omtrent de plaats van den doortocht der Israelieten.

Zoo heeft men, in deze, voortgetast in het duister, totdat, in 1884 (zie in/ra) de juiste ligging van Pithom, in het Oostelijk gedeelte van de Wady-Tumilat, bepaald kon worden. De route m de Schrift aangegeven wordt nu verstaanbaar aldus: