is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vier eeuwen zijn sedert voorbijgegaan ; de tweede helft van het jaar 1099 is aangebroken, en andermaal is Jerusalem belegerd. Weer is er een wijd, uitgestrekt kamp van krijgers op den Olijfberg. Maar thans niet van Heidenen of Mohammedanen; van Romeinen, of Perzen, of Arabieren, of Egyptenaren. Uit het kamp verheft zich een witte banier met rood kruis. Het zijn de Kruisvaarders, die op den Olijfberg, en om de stad, gelegerd zijn onder aanvoering van Godfried van Bouillon.

Schoon onder de heerschappij van Islam, werd Jerusalem niet vergeten door de Christenheid in het Westen, gedurende de vier eeuwen, die verliepen sedert de stad overging aan Omar. Waren pelgrimstochten daarheen in groote eere, sedert Helena, de moeder

vierde khalif dier dynastie. Tegenover Melik stond IBN ZOBE1R, als Khalif, te Mekka.

Daar volgens den Koran de „geloovigen" jaarlijks, of minstens éénmaal, ter pelgrimreize (Hajj), naar Mekka moesten trekken, en dit ook steeds van Syrië uit geschiedde, zag Abda'1 Malik hier een gevaar in voor de bevestiging zijner heerschappij, en oordeelde hij dat een omgang rond den steen es-Sakhrah, op Moria, te Jerusalem gelijk stond met den omgang van de K a a b a h, te Mekka; en dat zulks niet streed tegen, maar overeenkomstig was met het voorschrift in den Koran omtrent de Hajj. Immers, hier was de „Verdere Moskee", gelijk te Mekka de „Nabij Moskee"; maar beide plaatsen even „heilig", indien niet de „Haram es-Sakrah" nog heiliger dan de Masjid te Mekka. Voorts mocht de „heilige rots" niet blootgesteld blijven aan de invloeden van het weder en moesten de pelgrims, die hier kwamen aanbidden, tegen wind en regen beschut zijn.

Uit piëteit misschien werd de moskee el-Aksa, door Omar gebouwd, doch later in vervallen staat geraakt, door Abda'1 Malik herbouwd en zeer verfraaid; doch de bouw van den „Koepel van de Rots" zal geschied zijn met niet minder politieke bedoelingen dan uit piëteit. Heeft Melik werkelijk bedoeld om Jerusalem te stellen in de plaats van Mekka, dan is hij hierin niet geslaagd, want hoe hoog in eere Moria's rots, es-Sakrah, bij de Mohammedanen moge wezen, de Kaiiba te Mekka, met den „Zwiirten Steen", bleef het heiligdom, waarheen de pelgrims-reize gericht moest worden. Trouwens, „Jerusalem" kon niet en kan nooit „Mekka" worden, maar zal, naar Gods Genaderaad „Jerusalem" blijven, de Stad des grooten Konings, tot Wien Zijn Volk d A a r weer vergaderd zal worden. Hoe duidelijk is de hand Gods te erkennen in de verijdeling van het doel, waarmede de Moskee op Moria gebouwd is.

^•aar Arabische schrijvers berichten, zijn tot dien bouw besteed de geheele regeerings-inkomsten van Egypte gedurende den tijd van 7 jaar; en werd de kleine achtkantige „Cubbet es Silsilah", terzijde van den koepel-moskee, naar welks model deze is opgericht, gebouwd om als schathuis te dienen, gedurende het weik.