is toegevoegd aan uw favorieten.

Onder de vanen van vriend en vijand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den algemeenen toestand op den Dilsberg, dan aarzelt mijn pen. Het klinkt alles zoo ongelooflijk. Alleen hij, die deze tijden heeft meegemaakt, hij die weet hoe jammerlijk liet in het Duitsche land gesteld is, hoe het bijkans op sterven ligt, kan begrijpen, dat wij ons hier zoo ongestoord kunnen staande houden. Dilsberg is als een klein gelukkig eiland in de algeineene ellende die ons omringt, .la, een ellende zonder weerga. Hoe ziet het er uit in het Duitsche rijk? Het is een bijna zinnelooze kamp van allen tegen allen. De soldaat zoowel als de boer zijn ontaard, verdienen hun naam niet meer, maar zijn zonder uitzondering roovers, ruwe, verdierlijkte en waanzinnige roovers. De geweren liggen verstopt in den mesthoop of in het kreupelhout, uit een hinderlaag knalt de boer zonder erbarming, zonder onderscheid te maken iederen afzonderlijken ruiter van zijn ros, de ruiters stampen den oogst plat, slaan en dooden den boer en brengen zich zelf aldus aan hun levensonderhoud. Er verloopt geen dag tusschen Rijn en Oder, waarop niet een of meer dorpjes in vlammen opgaan. Groote legers zijn verdwenen, een armee, waarin nog discipline heerscht, zoekt men tevergeefs. Dat echter is juist de oorzaak van onze veiligheid. Niemand waagt zich aan ons. Want de Dilsberg herbergt weliswaar slechts een kleine bende, die echter bestaat uit goed gedisciplineerde soldaten. Daarvoor ontvangen de mannen stipter en rijkelijker dan onder andere vaandels hun soldij.

En hiertoe stelt ons enkel en alleen in staat de erfenis van onzen grootvader. Na verloop van een maand bleek het reeds, dat de voortdurende aanwezigheid van drie escadrons op Dilsberg noch noodig noch wenschelijk was. Wij zijn toen op een voortreffelijk denkbeeld gekomen, en ik mag er mij op roemen eigenlijk de eerste te zijn geweest, die op dit denkbeeld kwam. Slechts een derde gedeelte van onze manschappen doet voortaan dienst op onze vesting. De anderen zijn in den omtrek gezonden onder voorwaarde, dat zij naar de vesting terugkeeren, zoodra zij daar noodig zijn.

En zij zijn niet op kosten van de verarmde dorpen inge-