is toegevoegd aan uw favorieten.

Onder de vanen van vriend en vijand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid. Berthold verklaarde voor alle manschappen, dat in dien schat de eenige mogelijkheid van een veilig leven op Dilsberg berustte, dat hij het goud niet als zijn uitsluitend eigendom, maar als gemeenschappelijk bezit beschouwde en liet de kist in een kleine afzonderlijke schatkamer brengen, die daaglijks door twee soldaten werd bewaakt. Op deze wijze had hij den schat onder bescherming van allen gesteld en er moest elkeen veel aan zijn gelegen, dat hij goed bewaard en onaangetast bleef. Want op het woord van hun aanvoerder vertrouwden de mannen met recht ten volle. Tot grootere veiligheid was voor schatkamer uitgekozen de kamer naast ons slaapvertrek.

Tot nu toe was er nooit iets verkeerds voorgevallen, onze argwaan was ook nooit gewekt. Zij het nu, dat er onder de massa steeds eenige schaapjes schurftig worden, zij het, dat een paar hebzuchtige en rustelooze knapen meenden, dat het met de discipline na Berthold's vertrek niet zoo streng zou worden genomen en dat zij ongestraft voor later zouden kunnen zorgen . . . hoe het zij, op zekeren nacht werd er een poging tot diefstal van den schat gewaagd. Ik ontwaakte door een gedruisch midden in den nacht, haastte mij het vertrek binnen te snellen door de verbindingsdeur en verhinderde de uitvoering. De dieven ontsnapten wel zonder terstond gepakt te worden, maar daar er nergens een schildwacht was te vinden, kon men wel begrijpen wie de schuldigen waren. De poort was goed gesloten en bewaakt en tengevolge van het nachtelijk alarm werden de dieven, die door een venster in de kerk waren gevlucht — misschien in de hoop zich te redden door de onderaardsche gang — in het bedehuis gepakt. Het waren werkelijk de schildwachten, gereedschappen vond men verstrooid in hun buurt liggen.

Ik hield den anderen morgen krijgsraad. De boosdoeners loochenden eerst hardnekking hun misdaad, smeekten echter naderhand berouwvol om genade. In mijn hand lag de straf,... dood of leven . . . strop, of kruit en lood. Het werd mij in hooge maten onbehaaglijk te moede, omdat zulk een ver-