is toegevoegd aan uw favorieten.

Tandraderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorsprongen te voorzien, maakt men ze meestal op beide tegelijk en noemt de geheele uitsteking van den bodem der kuilen af: tand. De cirkels der oorspronkelijke wrijvingsrollen dragen dan hier den naam van steel cirkels. Het gedeelte van den tand boven den steekcirkel lieet kop, het gedeelte daaronder voet. Ofschoon men wel zegt: de tanden van het eene rad, duwen die van het andere rad voort is het volgende juister: De voet van den tand van het eene rad duict tegen den kop van den tand van het andere en daarna de kop van den tand van het eene rad tegen den voet van den tand van het andere rad.

De cirkel, die de koppen begrenst, noemt men kopcirkel, terwijl de bodem der kuilen begrensd wordt door den voetcirkel. Is het rad een koprad, dan is de voetcirkel tevens steekcirkel en is het een voetrad, dan is de kopcirkel dezelfde als de steekcirkel.

De hoogte van den tand is de afstand (op den straal) van voet- en kopcirkel. De dikte wordt gemeten op den steekcirkel. De andere afmeting noemt men de breedte van den tand. De twee gebogen vlakken, die aan de zijden den tand begrenzen noemt men tandflanken.

Alle tanden van een rad moeten denzelfden vorm hebben, anders zou de constructie van een bijbehoorend ingrijpend rad niet mogelijk zijn, tenzij beide raderen dezelfde grootte hadden (zie blz. 40). Om dezelfde reden maakt men den afstand van alle tanden gelijk. Men noemt dezen afstand, gemeten op den steekcirkel, de steek (s). Deze bestaat uit de dikte van den tand d en de wijdte van den kuil t.

Bij niet afgewerkt materiaal moet men eenige speling laten en (geeft men ter onderscheiding de beide assen met 1 en 2 aan) is dus:

dt < t2 en t{ >d.2 waarbij dan t.2 — d{ — tt —d., de speelruimte 4) aangeeft.

') Vroeger nam men voor de gietijzeren tanden de dikte d := l9/40 s, zoodat de opening daartneschen /=:2i/40.v werd; de speelruimte C/20*) werd dus dikwijls onnoodig groot.

2