is toegevoegd aan uw favorieten.

Drijfwerken met onderdeelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. 9.

De snelheid van het punt C — h u?, — R,<(>),<•

_ R„

U)& — ^ CJOO*

u = hoeksnelheid van A Ai ten opzichte van B\ B2. uit, = hoeksnelheid van C ten opzichte van as IVj IV%.

en u/, hoeksnelheden resp. ten opzichte van A± A% en Bj B.>.

Om o),., u>„ en tut uit te drukken in de gegeven hoeksnelheid u. heeft men:

us e — R. u.

R

U/i = (Al■

e

dus:

R„ R

, Cti,> — CC•

b e

R b U*

CCo = cc. (4Ö

Om &>„ in üj uit te drukken, geeft men alle punten eene tegengestelde hoeksnelheid u, waardoor loopring Ay A., in rust komt. Het punt C heeft dan eene hoeksnelheid —ai.

De lineaire snelheid van C is:

u„ a — R„ (u„—cc).