Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan menschen, die zich gaarne ontfermen over hen, die de voorwerpen zijn der christelijke barmhartigheid, en daartoe gaarne gebruik willen maken van de diensten van allen in onze Vereeniging, die zich gaven en nog zullen geven voor „deze noodige zaak", (Hand. 6:3), dit belangrijk, veeleischend en veelomvattend werk.

Er valt in onzen arbeid nog veel te verbeteren, te veel om nu reeds voldaan te kunnen zijn. Hoe verder men komt in een arbeid als de onze, hoe levendiger men zich bewust wordt van wat in dit of dat opzicht nog ontbreekt. Wij stuiten telkens op gebrek aan voldoende werkkrachten; het aantal zusters en broeders moest veel grooter zijn. Wij moesten niet genoodzaakt zijn zoovelen af te wijzen, die van ons hulp begeeren. De opleiding onzer zusters en broeders is nog niet wat zij, naar onze vaste overtuiging, moest zijn. Er kan van sommigen meer worden gemaakt dan nu met ons gebrek aan tijd, onze hulpmiddelen en onze tegenwoordige leerkrachten te maken is. Omdat wij ons ideaal niet laag willen stellen, wenschen wij dat dit een en ander beter worde dan het tot hiertoe was. Het zou reeds anders zijn geweest, als wij ons niet door de omstandigheden gebonden hadden gevoeld. Nu kunnen wij slechts streven — maar dat moeten en willen wij dan ook — naar zulk een gunstige wending der omstandigheden, dat zij ons dienen, niet belemmeren.

Maar — „maken" willen wij geen enkel ding. Wij hebben zonder te dwingen, de plant zien groeien, zich gestadig zien ontwikkelen, en de boom droeg reeds vele vruchten. Daarop rust onze overtuiging dat wij Gods werk werken, en aan die zekerheid hecht zich onze verwachting dat God voor zijne planting wel verder zorg zal dragen en haar brengen tot grooteren wasdom.

Sluiten