Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In „de waarheid van Gods vrijmagt" vinden we een gedeelte, waarin Muller van zijn leven bet volgende verhaalt:

(na de uiteenzetting, dat het tegenwoordige Christendom geen ware kennis van God geeft); „Ik weet dit bij eigen ondervinding, aan mijzelve, dewijl ik in dienzelfden weg van het Christendom tot mijn vier en dertigste jaar toe gewandeld, en in den hervormden Godsdienst opgevoed, en van mijne kindsheid af, betrekking op God gehad heb: en toen ik 12 jaar oud was, Jezus als den Verlosser uit den staat in Adam gevallen, leerde kennen, en in mijn 22*,e jaar daarin ook meerder bevestigd, hoewel ik in dien tusschentijd vele wisselvallige standen, van vallen en opstaan, twijfelingen en bestrijdingen, zonder getal, onderhouden heb; ook had ik van mijn 21ste tot op mijn 34' jaar veel ondervinding en toenemende kennis in het liedendaagsche Christendom verkregen, meenende waarlijk, dat ik God en de waarheid kende, dat ook wel waar was in mij, maar mijn verstand was niet geheiligd, maar vervuld met afgetrokken... leerstellingen".... „niet dat de waarheid niet in mij was, maar zij was in mij niet geopenbaard en aan mijn verstand geheiligd, ja ik kende de waarheid niet, hoewel ik van God gekend was, de waarheid had mij wel, maar ik had de waarheid niet en daarom was ik ook een liefhebber van mij zelve...." hoewel ik „door genade, die mij inwendig beheerschte, van de grove gevolgen van mijn verblind versland, vvederhouden

werd ...." (')

Stoffel huwde met Helena Groenendijk en na den dood zijns vaders, werd hij voor eigen rekening schipper. Als de wintertijd de gedwongen rust bracht, las hij veel, vooral in den Bijbel. Zijn diep godsdienstig gemoed kon geen vrede hebben niet de theologie zijner dagen, maar evenmin kon hij leven in de dompige

atmosfeer van de oefeningen.

Zijn helder hoofd, zijn aanleg tot ernstig nadenken, eischten

eene vrije, zelfstandige overtuiging,

Steeds had in die gezelschappen de zelfverheffing op den naam van uitverkorenen hem tegen de borst gestuit, maar de ruime opvatting van Gods liefde en genade, waartoe hij neigde, was weer een aanstoot in die kringen en zoo kwam er dikwerf botsing. Tot een breuk met zijn verleden en met zijne omgeving moest het komen — dat was te voorzien.

Maar eerst moest het bij hem zelf tot klaarheid komen, Hoe (')~Handêcfjritt van prof. Heringa blz. 15 en 16,

Sluiten