Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stond God toch tegenover den mensch, zijn schepsel ? Zou de zonde Gods werk verijdelen ? Wat was die zonde ?

Zoo peinsde hij op zijne reizen, als hij aan het roer stond en zijn scheepje kalm werd voortgestuwd door een licht windje — zoo worstelde hij in de stilte van zijne lange winteravonden. De gedenkschriften van Maria Leer verhalen het volgende :

„Eens na een avond van tegenspraak en verguizing ('t was op een der oefeningen) kon geen slaap het gespannen zenuwgestel tot kalmte brengen. Zijn legerstee verlatend, stootte hij de vensters open en door het vriendelijk maanlicht naar buiten gelokt, dwaalde hij door velden en akkers. Zoover hij om zich heen zag, scheen gras en kruid in zwaren damp begraven, als wachtend op de lev enwekkende zonnestralen, die er den sluier van zouden aflichten ; en terwijl in het oosten de heldere dageraad reeds aanbrak, ondervond ook zijn omneveld brein een kracht, die de laatste sluiers verscheurde. Een bijbelwoord, menigmaal gehoord en gelezen, maar nooit in zijne volle diepte verstaan, komt hem met nieuwe kracht voor den geest: „Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen" zoo moet ook de zonde, dat groote raadsel in 't heelal, uit, door en tot God zijn. Geen hellevrucht uit Satans macht geboren, maar werktuig in Gods hand om ons tot Hem te doen vluchten". (')

Muller verhaalt ons zelf, zonder de aanleiding te vermeld en

,,De waarheid bleef onverwinbaar in mijne ziel tegen alle bedenkingen en listen staan niet alleen, maar eensklaps, op zekeren tijd naar buiten gaande uit mijn huis, 0111, was het mogelijk mij er van te ontlasten, nadat het naar mijn weten, verscheiden weken in mij te doen was geweest; och, toen overwon, ja onverwachts zegepraalde de waarheid zoo in mijne ziel, dat er van al de tegenbedenkingen niets overbleef, in welk oogenblik het voor en in mij was alsof ik naar een afgrond nederzonk, met die erkentenis in mijne ziel: nu is het in uwe handen Heer! ziende mij, (hoewel ik het hoe daarvan niet beschrijven kan) zelve uit mij zelve uitgegaan, en toen dat

(!) Anagr. t.a.p. blz. 37.

Sluiten