Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijkheid eener onzondige samenleving van allen, die door oprecht geloof in Christus zijn ingelijfd. (')

Zij ging naar haren vroegeren leeraar Ds Boomkamp, om ook hem deelgenoot te maken van hare blijdschap in de gevonden zekerheid. Het viel Maria al niet mee, dat hij bedenkelijk het hoofd schudde, toen zij sprak van haar ideaal, maar daar gebeurde iets, dat hem bij Maria geheel in ongenade deed vallen. „De dochter van den dominee kwam haar een kop koffie brengen. Maria's oog viel dadelijk op het smaakvol morgengewaad en de menigte papillotten, die haar al zeer wereldsch toeschenen.

Zij bedankte vriendelijk, dronk haar kopje uit, zette het op de tafel en zei toen tegen dominé :

„Wat is de Christelijke gemeente toch afgeweken van de instellingen der Apostelen ! Paulus zegt, dat een opziener zijn huis in onderdanigheid moet houden en zijne kinderen in alle stemmigheid opbrengen tot een voorbeeld voor de gemeente en ziet uwe dochter eens; — uw huis is geen voorbeeld van stemmigheid maar van hoogmoed !" (J)

Geen wonder, dat Maria door zulk optreden menigeen van zich vervreemdde. Veelbewogen jaren waren het, die zij in Amsterdam doorbracht; een vasten dienst begeerde zij niet, want die belemmerde haar te veel in het kerkgaan en in het verkeer met de vromen en zoo verdiende zij dan haar brood met naaiwerk.

Eens zocht ze haar broer op, die te Utrecht woonde, maar dit bezoek zou haar lang heugen.

Zij bleek aangeland te zijn in een roovershol — hare spaarpenningen werden haar ontstolen — hare kleeren naar de lombard gebracht — en daar stond ze uitgeplunderd en haveloos op stremt*

Waar zöu ze heen? Zoo durfde zij niemand onder de oogen te komen — zóó kon zij toch niet naar hare vroegere naaihuizen gaan ?

(') Daar is iets in de schets van Anagrapheus, waarop 'k hier wijzen wil Maria is daar met één sprong direct op het hoogtepunt van hare ontwikkeling. We zijn op bl. 24 (vrjjwel aan het begin van haar zwerven) al even ver als op bl. 35. We hebben geen geleidelijke ontwikkeling. Onwaar behoett dit niet te zijn. Die sprongen in de ontwikkeling zjjn vooral bjj Maria zoo onmogelijk niet. En dat zij na die besliste zekerheid toch nog telkens weer terugvalt tot slingering, tot vragen en zoeken, welnu, is 't niet de ervaring van zoo menig menschenhart ?

(*) Anagr. t. a. p, blz. 25. , . . ,

(') Als deze broer dezelfde is, die met haar in het weeshuis ging, dan geven de herinneringen, die men aangaande hem nog in de weeshuisboeken heeft, een goede illustratie omtrent zijn persoon. Zie Bijlage I.

Sluiten